1 Kronieken 18:9-17
Laat ons hier leren:
1. Dat het in ons belang is diegenen tot onze vrienden te maken, met wie God is. De koning van Hamath, van Davids grote voorspoed horende, zond zijn zoon om hem geluk te wensen en zijn gunst te winnen door een zeer belangrijk geschenk vers 9, 10.
Het is tevergeefs om met de Zone Davids te strijden en daarom: "Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne". Laat de koningen en richters van de aarde, en ook alle mindere lieden, verstandig handelen, zich laten tuchtigen, dat is: zich laten onderrichten.
De geschenken, die wij Hem moeten brengen, bestaan niet zoals hier in "gouden en zilveren vaten" (diegenen zullen Hem welkom wezen, die niet bij machte zijn zulke geschenken te brengen, omdat zij ze niet hebben), maar in ons hart en onze warme liefde, in onszelf, geheel onszelf, deze moeten wij als levende offeranden tot Hem brengen.
2. Dat wij met hetgeen, waar God ons mee zegent, Hem moeten eren. David heeft de geschenken van zijn vrienden, zowel als de roof van zijn vijanden, "de Heere geheiligd", vers 11, dat is: hij legde ze op voor het bouwen en verrijken van de tempel. Datgene is in waarheid en op liefelijke wijze het onze, hetwelk wij de Heere gewijd hebben en gebruiken tot Zijn eer. Laat "onze koophandel en ons hoerenloon de Heere heilig zijn", Jesaja 23:18.
3. Dat zij, die God medenemen overal waar zij heengaan, verwachten kunnen voorspoedig te zijn en waar zij ook heengaan bewaard te zullen worden.
Het was tevoren gezegd, in vers 6, en nu wederom hier in vers 13, dat "de Heere David behoedde overal waar hij heenging". Diegenen zijn altijd onder het oog van God, die hun ogen altijd op God gericht houden.
4. God geeft de mensen macht, niet opdat zij er een groot aanzien door zullen hebben maar opdat zij er goed mee doen zullen. Toen David over geheel Israël regeerde "deed hij zijn gehele volk recht en gerechtigheid", en beantwoordde aldus aan het doel van zijn verheffing.
Hij was niet zo ijverig bezig met zijn veroveringen buitenslands, dat hij er de bedeling des rechts door verwaarloosde in het eigen land.
Hierin diende hij de doeleinden van het rijk van de voorzienigheid en van die God die "gezeten is op de troon, richtende gerechtigheid", Psalm 9:5, en zo was hij een uitnemend type van de Messias, "de scepter van wiens koninkrijk een scepter is van de rechtmatigheid."