1 Kronieken 17:16-27
Wij hebben hier Davids plechtig spreken tot God in antwoord op de genaderijke boodschap die hij zoëven van Hem ontvangen had. Door het geloof ontvangt hij de beloften, omhelst ze zoals de patriarchen gedaan hebben, Hebreeën 11:13.
Hoe ootmoedig verkleint hij zich hier, erkent hij zijn eigen onwaardigheid! Hoe hoog verheft hij de naam van God, bewondert hij Zijn nederbuigende genade en gunst! Met hoe Godvruchtige genegenheid verheerlijkt hij de God Israëls, en welk een waardering heeft hij voor het Israël Gods! Met welk een verzekerdheid bouwt hij op de belofte, en met welk een levendig geloof pleit hij er op!
Welk een voorbeeld is dit voor ons van ootmoedig, gelovig vurig bidden! Moge de Heere ons allen bekwaam maken Hem aldus te zoeken! Over deze dingen werd uitvoerig gesproken bij 2 Samuël 7:18-29.
Wij zullen hier dus slechts letten op die enkele uitdrukkingen, waarin het gebed, zoals wij het hier vinden, verschilt van de vermelding ervan daar, en waaraan hier iets toegevoegd is.
1. Wat daar uitgedrukt wordt bij wijze van vraag "(is dit naar de wet van de mensen, Heere Heere?)" is hier een erkenning: "Gij hebt mij naar menselijke wijze voorzien met deze verhoging".
"Gij hebt mij tot een groot man gemaakt, en toen dienovereenkomstig met mij gedaan." Door de verbondsbetrekkingen, waarin God de gelovigen opneemt, de rechten, die Hij hun geeft, de gunsten, die Hij hun schenkt en door hetgeen Hij voor hen bereidt, beschouwt en behandelt Hij hen naar de staat van verhoging, hoewel zij gering zijn.
Daar Hij zelf hen onderscheiden heeft, behandelt Hij hen als personen van onderscheiding, naar de hoedanigheid, die het Hem behaagd heeft hun te verlenen.
Sommigen geven aan deze woorden hier een andere lezing: Gij hebt op mij gezien in de gestaltenis van een mens, die het hoogste zijt, de Heere God, of, Gij hebt mij naar de gedaante van een man de majesteit van de Heere God doen zien.
En zo duidt het op de Messias, want evenals Abraham heeft David Zijn dag gezien, en is verblijd geweest, zag Hem door het geloof, zag Hem als gedaante van een mens, het Woord, dat vlees is geworden, en toch zag hij Zijn heerlijkheid als die van de eniggeboren Zoon des Vaders.
En dit was het dat God van zijn huis tot van verre heen gesproken heeft, welk vooruitzicht hem meer dan alle andere dingen getroffen heeft.
En laat het niet vreemd geacht worden dat David zo duidelijk van de twee naturen van Christus gesproken heeft, die Hem in de Geest zijn Heere heeft genoemd, hoewel hij wist dat Hij zijn Zoon zou wezen, Psalm 110:1, en Hem voorzag "een weinig minder gemaakt dan de engelen", voor een wijle, maar daarna "met heerlijkheid en eer gekroond", Hebreeën 2:6, 7. II. "Wat zal David meer bij U daaraan toevoegen", daar wordt hier bijgevoegd: "vanwege de eer aan Uwen knecht". De eer, die God Zijn dienstknechten aandoet, door hen in Zijn verbond op te nemen en tot gemeenschap met Hem toe te laten, is zo groot dat zij niet behoeven, niet kunnen wensen meer geëerd te worden. Als zij nederzaten om hun wensen kenbaar te maken, zij zouden niet meer voor hun eigen eer kunnen spreken dan hetgeen het woord van God gesproken heeft.
III. Het is zeer opmerkelijk, dat wat in Samuël gezegd is "om Uws woords wil", hier gezegd is: "om Uws knechts wil", vers 19. Jezus Christus is beide "het Woord Gods" Openbaring 19:13, en "de Knecht Gods", Jesaja 42:1, en het is om Zijnentwil, op rekening van Zijn middelaarschap, dat de beloften gedaan en gehouden worden aan alle gelovigen, het is in Hem, dat zij "ja en amen" zijn. Om Zijnentwil wordt het gedaan, om Zijnentwil wordt het bekend gemaakt, Hem zijn wij al deze grootheid verschuldigd, van Hem hebben wij al deze grote dingen te wachten, het is de "onnaspeurlijke rijkdom van Christus", die als wij door het geloof hem zien op zichzelf, en zien in de hand van de Heere Jezus, wij niet anders dan als groot kunnen roemen en verheerlijken, de enige ware grootheid.
IV. De Heere van de heirscharen wordt in Samuël gezegd God te zijn over "Israël", hier wordt Hij gezegd de God Israëls te zijn, Israëls God vers 24.
Dat Hij de God Israëls is, duidt aan dat Hij de naam heeft van "hun God" te zijn, dat Hij een God is `voor' Israël duidt aan dat Hij beantwoordt aan die naam en alles voor hen doet wat van Hem verwacht kan worden.
Er waren zodanigen, die van die en die volken `goden' genoemd werden, goden van Assyrië en Egypte, goden van Hamad en Arpad, maar zij waren hun geen goden, want zij deden hun volstrekt geen dienst, zij waren slechts nullen niets dan een naam, maar "de God Israëls" is een "God voor Israël", al Zijn eigenschappen en volmaaktheden strekken hun tot wezenlijk nut en voordeel.
"Welgelukzalig daarom is het volk, welks God Jehovah is", want Hij zal hun een God zijn, ja een algenoegzame God zijn.
V. De slotwoorden in Samuël zijn: "Laat met Uwen zegen het huis Uws knechts gezegend worden in eeuwigheid". Dat is de taal van een heilige begeerte. Maar de slotwoorden hier zijn de taal van een allerheiligst geloof: Want Gij Heere, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid, vers 27 , Genesis 12:2-3.
1. Hij is aangemoedigd om te vragen om een zegen, `omdat' God hem te kennen heeft gegeven dat Hij zegeningen voor hem en zijn geslacht heeft weggelegd, "Gij, 0 Heere, zegent, daarom zal alle vlees om een zegen tot U komen, tot U kom ik, om de mij beloofden zegen te ontvangen."
Beloften zijn bedoeld om het gebed op te wekken en te leiden. Heeft God gezegd: "Ik zal zegenen?" zo laat ons hart antwoorden: "Heere, zegen mij."
2. Hij begeert de zegen daarom zo ernstig en zo vurig, omdat zij, die door God gezegend worden, in waarheid en tot in eeuwigheid gezegend zijn. "Gij, Heere, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid". Mensen kunnen slechts `vragen' om de zegen, het is God, die de zegen `gebiedt', wat Hij voornemens is brengt Hij ten uitvoer, wat Hij belooft, doet Hij, zeggen en doen zijn bij Hem niet twee.
"Het zal gezegend zijn tot in eeuwigheid". Zijn zegeningen zullen niet herroepen worden, kunnen niet worden tegengewerkt, en de weldaden, die er door verleend worden, zullen tijden en dagen overleven.
Davids gebed eindigt, zoals Gods belofte geëindigd is, vers 14, met hetgeen "tot in eeuwigheid is". Gods woord ziet op de eeuwige dingen, en ook onze hoop en begeerte moeten naar de eeuwigheid uitgaan.