1 Kronieken 16:7-36
Wij hebben hier de psalm van de dankzegging die David door de Geest heeft samengesteld, en aan de opperzangmeester heeft gegeven om gezongen te worden bij gelegenheid van de openbaren intocht van de ark in de tent, die hij voor haar gespannen had.
Sommigen denken dat hij bepaald had, dat deze hymne dagelijks in de tempeldienst gezongen zon worden, wèlke andere psalmen er ook gezongen werden, deze moest niet weggelaten worden. David had voor deze reeds vele psalmen geschreven, sommigen in de tijden van zijn moeilijkheden en gevaren door Saul.
Deze was tevoren gedicht, maar nu voor het eerst aan Asaf gegeven ten gebruike van de kerk. Hij is samengesteld uit verscheidene andere psalmen. Van het begin tot vers 23 is hij genomen uit psalm 105:1 en verv, en dan van vers 23 tot vers 31 is het de gehele 96ste psalm met weinig variatie, vers 34 is genomen uit psalm 136:1, en verscheidene anderen, en de laatste twee verzen zijn genomen uit het slot van psalm 106, hetgeen, naar sommigen denken, ons machtigt om hetzelfde te doen ten einde hymnen samen te stellen uit Davids psalmen, een deel van de een samengevoegd met een deel van een anderen, naar het het meest geschikt en gepast is om de Godsvrucht van de Christenen uit te drukken en op te wekken.
Deze psalmen zullen het best verklaard worden aan hun eigen plaats (zo de Heere wil). Hier nemen wij ze zoals zij samengevoegd zijn met het doel om de Heere te loven, vers 7, een grote plicht, waartoe wij opgewekt moeten worden en waarbij het ons nodig is geholpen te worden.
1. Laat God verheerlijkt worden in onze lofzeggingen, laat Zijn eer het middelpunt zijn, waarin alle lijnen samenkomen. Laat ons Hem verheerlijken met onze dankzegging, looft de Heere, door onze gebeden, roept Zijn naam aan, vers 8, door onze liederen, zingt Hem, psalmzingt Hem, door onze gesprekken, spreekt aandachtiglijk van al Zijn wonderwerken, vers 9, verheerlijkt Hem als een groot God, die zeer te prijzen is, vers 25, als een oppermachtig God (boven alle goden), als alleen God, want alle anderen zijn afgoden, vers 26. Verheerlijkt Hem als heerlijk en zalig in zichzelf, majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, vers 27, als Schepper, de Heere heeft de hemelen gemaakt, als de Regeerder van geheel de schepping, Zijn oordelen zijn over de gehele aarde, vers 14, en als de onze, Hij is de Heere, onze God. Aldus moeten wij de Heere de ere geven van Zijn naam, vers 28, 29, en erkennen dat die en nog veel meer Hem toekomt.
2. Laat anderen gesticht en onderwezen worden. Maakt Zijn daden bekend onder de volken, vers 8. Vertelt Zijn eer onder de heidenen, vers 24, opdat zij, die vreemdelingen voor Hem zijn, er toe gebracht worden om Hem te kennen, Hem hulde en aanbidding te brengen. Aldus moeten wij de belangen dienen van Zijn koninkrijk onder de mensen, opdat de gehele aarde schrikke voor Zijn aangezicht, vers 30.
3. Laat ons zelf aangemoedigd worden om te roemen in God en op Hem te vertrouwen. Aan hen, die eer geven aan Gods naam, is het vergund er in te roemen, vers 10, zich te laten voorstaan op hun betrekking tot God en zich te wagen op Zijn beloften aan hen. Dat zich het hart dergenen, die de Heere zoeken verblijde, en nog veel meer het hart van hen, die Hem gevonden hebben. Zoekt Hem, Zijn sterkte en Zijn aangezicht, dat is: zoekt Hem door de ark van Zijn sterkte, waarin Hij zich openbaart.
4. Laat het eeuwig verbond de grote zaak wezen, het grote onderwerp van onze vreugde en Zijn lof, vers 15. Gedenkt tot in eeuwigheid Zijn verbond, vers 15. In de parallel plaats is het: Hij gedenkt Zijns verbonds tot in eeuwigheid, Psalm 105:8. Ziende dat God het noodt vergeet, moeten wij het ook niet vergeten. Het verbond wordt gezegd te zijn geboden, vers 15, omdat God ons verplicht heeft aan de voorwaarden er van te gehoorzamen, en omdat Hij beide het gezag heeft om de belofte te doen en het vermogen om haar te vervullen. Dit verbond was oud, maar moest nooit worden vergeten. Het werd gemaakt met Abraham, Izak en Jakob die reeds voorlang gestorven zijn, vers 16 i8, maar is nog vast al de geestelijken zade, en op de belofte er van kan nog steeds gepleit worden.
5. Laat Gods vorige goedertierenheden jegens zijn oude volk, jegens onze voorouders en hen, die ons voorgegaan zijn in de belijdenis, thans met dankbaarheid door ons herdacht worden tot Zijn lof. Laat het herdacht worden hoe God de aartsvaders beschermd heeft in hun ongevestigden toestand, toen zij als vreemdelingen naar Kanaän kwamen, en er bijwoners in geweest zijn, toen zij weinigen waren in aantal, en gemakkelijk verzwolgen hadden kunnen worden, toen zij voortdurend heen en weer reisden en aldus aan gevaren waren blootgesteld, toen velen hun kwalijk gezind waren en hun kwaad zochten te doen, terwijl het toch aan niemand toegelaten werd hun leed te doen, aan de Kanaänieten niet, aan de Filistijnen niet, aan de Egyptenaren niet, koningen werden bestraft om hunnentwil, Farao was dit en Abimelech. Zij waren de gezalfden des Heeren, geheiligd door Zijn genade, geheiligd tot Zijn eer, zij hadden de zalving des Geestes ontvangen. Zij waren Zijn profeten, zelf in de dingen Gods onderwezen, en aangesteld om anderen te onderwijzen, (en profeten worden gezegd gezalfd te zijn, 1 Koningen 19:16, Jesaja 61:en daarom: wie hen aanraakt, raakt Gods oogappel aan, wie hun leed doet, doet dit op zijn gevaar, vers 19-22.
6. Laat inzonderheid het grote heil des Heeren het onderwerp zijn van onze lof, vers 23. Boodschapt Zijn heil van dag tot dag, dat is, zegt bisschop Patrick, Zijn beloofd heil door Christus. Wij hebben redenen om dit van dag tot dag te bezingen, want dag aan dag ontvangen wij er de weldaden van, en het is een onderwerp, dat nooit uitgeput is.
7. Laat God geprezen worden door een dagelijks komen tot Hem in de door Hem verordineerde inzettingen, brengt offer, toen de vruchten van de grond, nu, de vrucht van de lippen, van het hart Hebreeën 13:15, en aanbidt Hem in de schoonheid van de heiligheid, vers 29 in de heilige plaats, en op een heilige wijze. Heiligheid is de schoonheid des Heeren, de schoonheid van alle geheiligde zielen en alle Godsdienstige verrichtingen.
8. Laat Gods algemene heerschappij de vrees en de blijdschap zijn van alle volken. Laat ons haar eerbiedigen. Schrikt voor Zijn aangezicht, gij gehele aarde. En laat ons er ons in verblijden, dat de hemelen zich verblijden, omdat de Heere regeert, en dat bevestigt de wereld, zodat zij, hoewel bewogen wordende, toch niet van haar plaats wordt bewogen.
9. Laat het vooruitzicht op het komende oordeel ons bezielen met een eerbiedige vreugde. Laat aarde en zee, veld en woud hoewel die in de groten dag des Heeren allen verteerd zullen worden, zich er toch in verheugen, dat Hij komt om de aarde te richten, vers 32, 33. 10. In het midden van onze lofzegging moeten wij niet vergeten te bidden om hulp en verlichting voor de heiligen en dienstknechten Gods, die in kommer en benauwdheid zijn, vers 35. Verlos ons, verzamel ons en red ons van de heidenen, diegenen van ons, die verstrooid en verdrukt zijn. Als wij ons verblijden in Gods gunsten jegens ons, dan moeten wij gedenken aan onze broederen onderbeproeving en bidden om hun verlossing en bevrijding als om onze eigen verlossing en bevrijding. Wij zijn elkanders leden, en daarom is het, als wij bedoelen: Heere, verlos hen, niet ongepast te zeggen: "Heere, verlos ons."
Eindelijk. Laat God de Alfa en de Omega zijn van al onze lofzeggingen. Hij begon met: Looft de Heere, vers 8, hij eindigt met: Geloofd zij de Heere, vers 36. En terwijl in de plaats waaraan deze lofzegging ontleend is, Psalm 100:48, er bijgevoegd is: al het volk zegge Amen, Hallelujah, vinden wij hier, dat zij naar die aanwijzing gedaan hebben. Al het volk zei: Amen, en het loofde de Heere. Toen de Levieten deze psalm des gebeds en van de lofzegging voleindigd hadden, toen en niet eerder, gaf het volk, dat de dienst had bijgewoond, hun instemming er mee te kennen door Amen te zeggen. En zo loofden zij de Heere, ongetwijfeld zeer getroffen zijnde door deze pas ingestelde wijze van Godsverering, die totnutoe alleen in de profetenscholen gebruikelijk was geweest, 1 Samuël 10:5. En indien deze wijze van God de Heere te loven de Heere aangenamer is dan een os of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt, dan zullen de zachtmoedigen, dit gezien hebbende. zich verblijden, Psalm 69:32, 33.