1 Kronieken 14:1-7
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat niemand zo'n genoegzaamheid heeft in zichzelf of hij heeft toch zijn buren nodig, en hij heeft reden om dankbaar te zijn voor hun hulp. David had een zeer groot koninkrijk, Hiram een zeer klein koninkrijk, maar David kan zich geen huis bouwen naar zijn genoegen of Hiram moet hem van werklieden en materialen voorzien, vers 1, hetgeen een reden is, waarom wij niemand moeten verachten maar, naar wij er gelegenheid toe hebben, aan allen dienst moeten betonen.
2. Het is voor een wijs man een grote voldoening om gevestigd te zijn, en voor een Godvruchtig man Gods bijzondere voorzienigheid te zien in zijn vestiging.
Het volk had David koning gemaakt, maar hij kon niet gerust of gelukkig zijn voor hij bemerkte dat de Heere hem tot koning bevestigd had over Israël, vers 2.
3. Wij moeten al onze bevorderingen beschouwen als bedoeld om ons nuttig te doen zijn. Davids koninkrijk werd ten hoogste verheven, niet om zijnentwil ten einde een groot aanzien te hebben, maar om zijns volks Israëls wil, opdat hij hun ten leidsman en beschermer zou zijn.
Wij worden gezegend, opdat wij tot zegen zijn zullen. Zie Genesis 12:2. Wij worden niet geboren voor onszelf, en wij leven niet voor onszelf.
4. Het is moeilijk om voorspoedig te zijn en niet zorgeloos te worden, en toe te geven aan het vlees.
Het was Davids zwakheid dat hij, toen hij bevestigd was in zijn koninkrijk, meer vrouwen nam, vers 3, maar zijn talrijk kroost vermeerderde zijn aanzien en sterkte. Zie, kinderen zijn een erfdeel des Heeren. Wij hadden een bericht van Davids kinderen, niet alleen in Samuël, maar in dit boek, Hoofdstuk 3:1 en verv, en nu weer hier, want het was hun eer zo'n vader te hebben.