1 Kronieken 13:9-14
Van deze scheur aan Uza, die al de vreugde deed ophouden, hadden wij een bericht in 2 Samuël 6:6 en verv.
1. Laat de zonde van Uza ons allen waarschuwen voor trotsheid, roekeloosheid en oneerbiedigheid in het omgaan met heilige dingen, vers 9, wij moeten niet denken dat een goede bedoeling een slechte daad zal verontschuldigen.
In onze gemeenschapsoefening met God moeten wij zorgvuldig waken over ons eigen hart, opdat gemeenzaamheid geen minachting doe ontstaan, en wij niet denken dat God ons op enigerlei wijze verplicht is.
2. Laat de straf van Uza ons er van overtuigen dat de God met wie wij te doen hebben een ijverig God is. Zijn dood evenals de dood van Nadab en Abihu, verkondigt luide dat God "in degenen, die tot Hem naderen, geheiligd zal worden", Leviticus 10:3.
En dat, hoe nader zij Hem zijn, hoe meer misnoegd Hij is over hun trotsheid en aanmatiging. Laat ons niet durven beuzelen met God in ons naderen tot Hem, en laat ons, door Christus, vrijmoedig komen tot de troon van de genade, want wij zijn onder de bedeling van vrijheid en genade, niet van dienstbaarheid en verschrikking.
3. Laat de nevel, die dit wierp over Israëls blijdschap, ons een herinnering zijn, om ons altijd te verheugen met beving, zelfs dan als wij Hem dienen met blijdschap.
4. Laat Davids misnoegen bij deze gelegenheid ons waarschuwen om wèl acht te geven op onze gemoedsgesteldheid, als wij ons onder de Goddelijke bestraffingen bevinden, opdat wij inplaats van ons aan God te onderwerpen, niet met Hem twisten. Zullen wij, als God toornig op ons is, toornig durven zijn op Hem?
5. Laat ons gewaarschuwd zijn door de stoornis van deze plechtigheid om niet weggedreven te worden van onze plicht door die leidingen van Gods voorzienigheid, die slechts bedoeld zijn om ons weg te drijven van onze zonden. David had, niettegenstaande de scheur die aan Uza gescheurd was, met zijn werk moeten voortgaan, en aldus zou de scheur geheeld kunnen zijn.
Eindelijk. Laat de zegen, die de ark in Obed-Edoms huis bracht, ons aanmoedigen om Gods inzettingen welkom te heten in ons huis, als degenen, die geloven dat de ark een gast is bij wie niemand iets zal verliezen, en laat haar er ons niet te minder dierbaar om zijn, dat zij voor sommigen een steen des aanstoots en een rots van de ergernis is.
Indien het Evangelie voor sommigen een reuk des doods ten dode is, zoals de ark het was voor Uza, zo laat ons het toch in liefde ontvangen en aannemen, en dan zal het ons een reuk des levens ten leven zijn.