1 Kronieken 12:1-22
Wij hebben hier een bericht van hen, die na de dood van Saul als Davids vrienden optraden en handelden, om de omwenteling tot stand te brengen.
Zolang hij vervolgd was, bestond zijn gehele krijgsmacht uit slechte zes honderd man, die hem tot lijfwacht dienden, maar toen de tijd gekomen was dat hij aanvallenderwijs moest optreden, heeft Gods voorzienigheid hem meerderen ter hulp gezonden.
Zelfs toen hij nog opgesloten was voor het aangezicht van Saul, vers 1, scheen hij zijn vrienden en begunstigers niet uit te nodigen of aan te moedigen om tot hem te komen, daar hij niet voorzag dat de dood des konings zo nabij was. God heeft hen geneigd en toebereid om met tijdige hulp tot hem te komen.
Zij, die vertrouwen dat God Zijn werk voor hen doen zal op Zijn eigen tijd en Zijn eigen wijze, zullen bevinden dat Gods voorzienigheid al hun overleg en al hun berekening overtreft.
De strijd was Godes, en Hij vond helpers voor die strijd, wier ijver om te handelen voorden man, die God voor de regering had aangewezen, hier tot hun lof wordt vermeld.
1. Sommigen, zelfs uit Sauls broederen, van de stam van Benjamin en die aan hem verwant waren, zijn tot David overgekomen, vers
2. Wat hen er toe bewoog wordt ons niet gezegd waarschijnlijk heeft een edele verontwaardiging over de lage behandeling, die Saul, een uit hun stam, hem aandeed, hen bezield en opgewekt om zoveel krachtiger voor hem op te treden, opdat de schuld en de smaad ervan niet op hen zou rusten. Deze Benjaminieten worden beschreven als mannen van grote behendigheid, geoefende boogschutters en slingeraars, die beide handen gelijkelijk konden gebruiken, vernuftige, actieve mannen, een klein getal van deze kon David groten dienst bewijzen. Verscheidenen van hun voormannen worden hier genoemd. Zie Richteren 20:16.
Sommigen van de stam van Gad, hoewel gevestigd in het Overjordaanse, waren zo overtuigd van Davids recht op de boon en zijn geschiktheid voor de regering, dat zij zich afscheidden van hun broederen (dat was wel een lofwaardige afscheiding) om tot David te gaan hoewel hij toen in de vesting was in de woestijn vers 8, waarschijnlijk een van zijn sterkten in de woestijn van Engedi.
Het waren slechts weinigen, slechts elf in aantal, die hier genoemd worden, maar die veel bijdroegen tot Davids sterkte. De meesten van hen, die totnutoe tot zijn hulp waren gekomen, waren mannen die betere dagen gekend hadden, arm en berooid waren, ontevredenen, avonturiers, die eerder om bescherming tot hem kwamen dan om hem diensten te bewijzen, 1 Samuël 22:2. Maar deze Gadieten waren kloeke mannen, krijgslieden, ten oorlog toegerust, vers 8. Want:
1. Zij waren mannen van grote lichaamskracht, van ongelooflijke snelheid, niet om voor de vijand te vlieden, maar om hem aan te vallen en de verstrooide benden te vervolgen. Hierin waren zij als de reeën op de bergen in snelheid, zodat niemand hun ontlopen kon, en daarbij waren hun aangezichten als de aangezichten van leeuwen, zodat niemand de strijd met hen durfde aanbinden. 2. Zij waren gedisciplineerde mannen, geoefend in de krijgskunst, zij konden schild en rondas hanteren, wisten met wapenen van aanval en van verdediging om te gaan.
3. Zij waren officieren van de krijgsmacht van hun eigen stam, vers 14, zodat zij, hoewel geen krijgslieden medebrengende, hen toch onder hun bevelen hadden, honderden, duizenden.
4. Het waren stoutmoedige mannen, die zich door alle moeilijkheden heen wisten te breken. Bij de een of anderen krijgstocht misschien wel op deze tocht om tot David te komen-zwommen zij over de Jordaan, toen hij vol was aan al zijn oevers, vers 15. Diegenen zijn geschikt om in de zaak Gods gebruikt te worden, die zich aldus in vertrouwen op Gods bescherming durven wagen.
5. Zij waren mannen, die de zaak, waaraan zij zich wijdden doorzetten ten einde toe. Welke vijanden van de laagten het waren, die zij ontmoetten na de Jordaan overgetrokken te zijn, blijkt niet, maar met hun leeuwenaangezichten dreven zij hen op de vlucht, en vervolgden hen met weergaloze woede naar het oosten en naar het westen, naar welke kant zij zich ook heenwendden. Zij volgden de slag op en deden hun werk niet ten halve.
III. Sommigen van Juda en Benjamin kwamen tot hem, vers 16.. Hun aanvoerder was Amasai. Of hij dezelfde was als Amasa, die later de zijde van Absalom hield, 2 Samuël 17:25,, blijkt niet. Nu hebben wij hier:
1. Davids voorzichtige onderhandeling met hen, vers 17.
Hij was verwonderd hen te zien, en moest wel enige achterdocht hebben nopens de bedoeling, waarmee zij gekomen waren, daar hij zo dikwijls in gevaar was geweest door het verraad van de mannen van Zif en de mannen van Kehila, die toch allen mannen van Juda waren.
Wel kon hij schroomvallig zijn, op wiens leven men het zo dikwijls had toegelegd, kon hij achterdochtig zijn, die zich in zovelen bedrogen had gezien, dat hij zei in zijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
Geen wonder dat hij deze mannen van Juda met omzichtigheid tegemoet gaat. Let op hoe hij hun de zaak voorstelt, hoe oprecht en eerlijk hij met hen handelt. Naar zij zijn, zullen zij hem vinden, zo zullen allen handelen met de Zone Davids.
A. Indien zij trouw en eerlijk zijn, dan zal hij hun beloner wezen. Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zal ik, hoewel gij laat komt en mij lange tijd aan gevaar liet blootgesteld, en hoewel gij mij geen grote versterking aanbrengt, waardoor de schaal ten mijnen gunste kan overhellen, uw welwillendheid toch dankbaar aannemen, en mijn hart zal aan u verbonden zijn. Ik zal u liefhebben en eren, en u al de vriendelijkheid bewijzen, die in mijn macht is. Genegenheid, achting en dienstbetoon zullen bij een goed man gunst vinden, zoals zij gunst vinden bij een goeden God, al kleeft er ook nog veel zwakheid aan, en al zijn zij hem niet van veel dienst of nut. Maar:
B. Als zij vals zijn en onder schijn van vriendschap komen om hem in de handen van Saul over te leveren, dan laat hij hen aan God over om de wreker te zijn, gelijk Hij het is en zijn zal van alles wat vals en verraderlijk is. Nooit was iemand zo heftig vervolgd als David, (behalve de Zone Davids zelf) en toch had hij het getuigenis van zijn geweten, dat er geen wrevel, geen onrecht, in zijn handen was. Hij bedoelde niemands kwaad, hetgeen zijn verheuging was ten dage des kwaads, en hem instaat stelde om, als hij verraad vreesde, zijn zaak over te geven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. Hij wil geen rechter zijn in zijn eigen zaak, hoewel hij een wijs man was, noch zichzelf wreken, hoewel hij een man van moed was, maar laat de rechtvaardige God, die gezegd heeft: Mijne is de wraak, beide doen. De God onzer vaderen zie het, en straffe het!
Merk op in dit zijn beroep:
a. Hij noemt God de God onzer vaderen, van zijn en hun vaderen. Aldus herinnert hij hen er aan, dat zij niet slecht jegens hem moeten handelen, want beide waren zij afstammelingen van dezelfde aartsvaders, beide hingen zij af van dezelfde God. Aldus moedigt hij zich aan om te geloven dat God hem recht doen zal, zo hij mishandeld, beledigd of belasterd mocht worden, want Hij was de God van zijn vaderen, en daarom was een zegen op hem overgegaan, en de God van geheel Israël, en daarom niet alleen een rechter van de gehele aarde, maar inzonderheid een rechter om uitspraak te doen in de geschillen van Israëlieten onder elkaar.
b. Hij roept geen schrikkelijk oordeel over hen in, al zouden zij ook verraderlijk met hem handelen, maar geeft zich nederig over aan de Goddelijke wijsheid en gerechtigheid. De Heere zie het, en oordele naar Hij ziet, (want Hij ziet het hart van de mensen) en "straffe het". Hun, die zich op God beroepen, betaamt het om zich met grote gematigdheid uit te drukken, want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
2. Hun hartelijke vereniging met hem, vers 18. Amasai was hun woordvoerder, de Geest toog Amasai aan, geen geest van profetie kwam op hem, maar een geest van wijsheid en vastberadenheid, naar de gelegenheid het vereiste woorden gevende in zijn mond, woorden, die niet vooruit bedacht waren, maar geschikt om aan David voldoening te geven en hen, die hem vergezelden, te bemoedigen.
Niets kon beter en gepaster gezegd zijn. Hij betuigt voor zichzelf en voor zijn metgezellen David en zijn belangen van harte te zijn toegedaan, en dat hij met gevaar van zijn leven en van alles wat hem dierbaar is David zal bijstaan tegen al zijn vijanden.
Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isai. Door hem de zoon van Isai te noemen, herinneren zij zich dat hij in rechte lijn afstamde van Nahesson en Salmon, die in hun dagen vorsten van de stam van Juda zijn geweest. Saul noemde hem aldus in minachting, 1 Samuël 20:27, 22:7, maar zij beschouwen het als een eer.
a. Zij waren er van overtuigd dat hij aan Gods zijde was, en dat God aan zijn zijde was, en daarom: Wij zijn uw, o David, wij zijn aan uw zijde. Als wij een zijde moeten kiezen, dan is het goed de zijde te kiezen van hen, die aan Gods zijde zijn en met wie God is.
b. Hij wenst voorspoed aan David en zijn zaak, niet door op zijn gezondheid te drinken, maar door hem en al zijn vrienden vrede toe te bidder: "Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen", onder wie wij wensen gerekend te worden, opdat ook ons vrede zij." c. Hij verzekert hem hulp van de hemel: "Want uw God helpt u", daarom wensen wij dat vrede zij, en daarom twijfelen wij niet of er zal vrede zijn, u en uw helperen.
God is uw God, en zij, die Hem tot hun God hebben, hebben Hem ongetwijfeld ook tot hun helper in iedere tijd van nood en gevaar.
Van deze uitdrukkingen van Amasai kunnen wij leren hoe onze genegenheid en trouw te betuigen aan de Heere Jezus. Zo moeten wij wezen zonder voorbehoud, zonder macht van herroeping van onze trouw, aan Zijn zijde moeten wij optreden en handelen met ijver en liefde, voor Zijn belangen moeten wij het beste begeren, Hosanna! voorspoed aan Zijn Evangelie en koninkrijk, want Zijn God helpt Hem en zal Hem helpen, totdat Hij alle heerschappij en alle macht en kracht, die zich tegen Hem stellen teniet zal gedaan hebben.
3. Davids blijmoedige aanneming van hun dienst en hun vriendschap. De liefde en de eer leren ons onze achterdocht te laten vallen, zodra ons voldoening is gegeven. David nam hen aan en stelde hen tot hoofden der benden.
IV. Ook sommigen van Manasse sloten zich bij hem aan, vers 19. Gods voorzienigheid gaf hun een goede gelegenheid om dit te doen daar hij en zijn mannen toen door hun land trokken. Achis nam David mede, toen hij uittoog om tegen Saul te strijden, maar de vorsten van de Filistijnen noodzaakten hem zich terug te trekken.
Wij hadden die geschiedenis in 1 Samuël 29:4 en verv. Bij zijn terugkeer kwamen sommige grote mannen van Manasse, die geen moed hadden om met Saul tegen de Filistijnen te gaan strijden, zich met David verenigen, en dat wel zeer ter rechter tijd om hem te helpen tegen de Amalekieten, die Ziklag hadden geplunderd.
Zij waren niet talrijk, maar zij waren allen kloeke helden, en hebben David bij die gelegenheid goeden dienst bewezen, 1 Samuël 30. Zie hoe Gods voorzienigheid voorziet in de nood. Davids invloed nam grotelijks toe juist toen het hem nodig was er gebruik van te maken, vers 22.
Dagelijks kwamen hulptroepen tot hem, totdat hij "een groot leger" had. Als de belofte tot aan de geboorte komt, laat het dan aan God over om kracht te geven tot baren.