1 Corinthiërs 7:1-9
De apostel gaat nu, als een getrouw en bekwaam gewetensrechter er toe over om sommige belangrijke vragen te beantwoorden, die de Corinthiërs hem gedaan hadden. Dat waren de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt, vers 1. Wanneer de lippen van den dienaar trachten de wijsheid te bewaren, willen de mensen de wet uit zijn mond horen. De apostel was even bereid hun twijfelingen te beantwoorden als zij om ze hem mede te delen. In het voorgaande hoofdstuk vermaande hij hen de onkuisheid te mijden, thans geeft hij enige aanwijzingen omtrent het huwelijk, het door God daartegen verordende middel. Hij zegt hun dus in het algemeen:
I. Dat het goed was, tenminste in dat tijdsgewricht, van het huwelijk geheel af te zien: Het is een mens goed gene vrouw aan te raken (haar niet tot echtgenote te nemen). Goed mag hier niet verstaan worden alsof het den wil en de bedoeling Gods ware en als zou het tegenovergestelde zonde zijn, een uiterste waarin velen van de ouden gevallen zijn om ongehuwden staat en maagdelijkheid aan te bevelen. Indien de apostel dat bedoeld had, zou hij in het vervolg op vele punten zichzelf tegengesproken hebben. Maar "het is goed", betekent of: er zijn afgezien van de omstandigheden verscheidene toestanden, waarin de ongehuwde staat boven het huwelijk te verkiezen is, of: in dezen tijd, ter oorzake van de vele beproevingen, welke over de Christelijke kerk komen zullen, zal het een voordeel voor de Christenen zijn indien ze ongehuwd blijven, altijd indien ze de gave der onthouding bezitten en zich zelven rein kunnen bewaren. De uitdrukking kan ook opgevat worden als vingerwijzing dat Christenen alle gelegenheid voor deze zonden moeten vermijden, alle vleselijke lusten moeten vlieden zowel als alle aanleiding daartoe, en dus gene vrouw aanzien of aanraken, ten einde gene begeerten te wekken.
II. Hij zegt hun dat het huwelijk, en de gemakken en bevredigingen van den huwelijken staat door de goddelijke wijsheid voorgeschreven zijn ter voorkoming van hoererij, vers 2. Hoererijen, alle soorten van onwettige bevrediging. Om die te voorkomen zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben en een iegelijke vrouw haar eigen man, en zich beperken ieder tot zijn eigen echtgenoot. En wanneer ze gehuwd zijn, hebben ze elkaar de schuldige goedwilligheid te betalen, vers 3, met elkanders aanleg en geneigdheid rekening te houden, en elkaar den huwelijksplicht te bewijzen, dien men over en weer verschuldigd is. Want, gelijk de apostel in vers 4 aantoont, in den huwelijken staat heeft niemand macht over zijn eigen lichaam, maar hij is gesteld in de macht van den ander, de vrouw in die van haar man en de man in die van zijne vrouw. Veelwijverij, of huwelijk met meer dan een man, is zowel als overspel een breuk van de huwelijksovereenkomst en geweld plegen aan de rechten van den ander. En daarom zal men elkaar het gebruik van het lichaam niet weigeren, of de genoegens van den huwelijken staat ontzeggen, welke door God aangewezen zijn om te maken dat men zijn vat in eerbaarheid bezitten zal, tenzij met beider toestemming, vers 5, en slechts voor een tijd, gedurende welken beiden enige buitengewone godsdienstige handelingen verrichten, zich tot vasten en bidden verledigen. Tijden van diepe verootmoediging vereisen onthouding van geoorloofde genoegens. Maar deze onthouding tussen man en vrouw moet niet voortdurend zijn, opdat ze zich niet blootstellen aan de verzoekingen des Satans, door hun onthouding of onmacht om zich te onthouden. Men stelt zich aan grote gevaren bloot door te beproeven datgene te doen wat boven de krachten gaat, en terzelfder tijd niet door enige wet Gods voorgeschreven is. Indien ze van geoorloofde genoegens afstand doen, kunnen ze door ongeoorloofde verstrikt worden. De door God ingestelde voorbehoedmiddelen tegen ontucht zijn zeker de beste. III. De apostel beperkt hetgeen hij gezegd heeft omtrent iedere man, die zijn eigen vrouw moet hebben, vers 2. Dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. Hij legt niet op iedere man de verplichting om in `t huwelijk te treden. Iedere man mag trouwen. Geen wet Gods verbiedt het. Maar daartegenover: geen wet Gods beveelt het, zodat hij zondigen zou indien hij niet huwde, tenzij de omstandigheden het vereisen om de geneigdheid tot wellust tegen te gaan. Het was een zaak, waarin aan de mensen door Gods wet grote mate van vrijheid geschonken is. En daarom bond Paulus niet iedere man om te huwen, ofschoon het ieder vrijstond. Ja, hij wilde dat alle mensen waren gelijk hijzelf was, vers 7, dat is ongehuwd en bij machte om zo te blijven voortleven. Daar waren verscheiden voordelen aan verbonden, welke, in elk geval in dien tijd zo niet ook in andere tijden, het op zichzelf verkieslijk maakten. Het is een bewijs van grote goedheid indien men alle mensen zo gelukkig wenst als men zelf is. Maar het beantwoordt niet aan de bedoeling der Voorzienigheid indien allen evenveel zelfbeheersing op dit punt hebben als Paulus had. Dat was ene gave, welke de oneindige Wijsheid aan hem geschonken had als geschikt voor zijn levensdoel.
Maar een iegelijk heeft zijne eigen gave van God, de een wel aldus, maar de ander alzo. De natuurlijke aanleg verschilt bij den een en den ander, en naar de verschillende aanleg zijn verschillende graden van genade geschonken, zodat de een groter macht over natuurlijke neigingen heeft dan de ander. De gaven Gods, zowel in de genade als in de natuur, zijn onderscheiden uitgedeeld. Sommigen hebben deze en anderen gene gaven. Paulus kon wensen dat alle mensen waren gelijk hij: maar allen vatten dit woord niet, alleen dien het gegeven is, Mattheus 19:11.
IV. Wat hij te dien opzichte te zeggen heeft trekt hij samen in vers 8 en 9. Doch ik zeg den ongetrouwden en de weduwen, haar die in een staat van maagdelijkheid of van weduwschap zijn, het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik. Er zijn vele voordelen, vooral in dezen tijd, in den ongehuwden staat, die hem boven het huwelijk verkieslijk maken. Het is daarom goed dat de ongehuwden blijven als ik ben, waaruit duidelijk blijkt dat Paulus toen ongehuwd was. Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden. Dat is het van God beschikte middel tegen wellust. Het vuur mag geblust worden op de wijze, die Hij verordend heeft. En het huwelijk met al zijne moeiten is verreweg beter dan van onzuivere en wellustige denkbeelden te branden. Het huwelijk is eerlijk onder allen, maar het is de verplichting van hen, die hun lusten niet kunnen weerstaan of overwinnen.