Romeinen 16:1-16
Herinneringen als deze zijn gewoon in brieven van vrienden aan elkaar, en Paulus heiligt hier, door de warmte zijner uitdrukking, die gewone plichtplegingen.
I. Wij hebben hier de aanbeveling van een vriendin door wie, naar sommigen menen, de brief gezonden werd, een zekere Phebe, vers 1, 2. Naar het schijnt was zij een vrouw van rang en aanzien, die door haar zaken naar Rome geroepen werd, waar zij vreemdelinge was, en daarom beveelt Paulus haar aan in den kring der Christenen aldaar, een bewijs van zijn trouwe vriendschap voor haar. Paulus was zeer bekwaam in de kunst om de mensen aan zich te verbinden. De ware godsdienst, werkelijk aangenomen, maakt nooit enigen mens onbeschaafd. Het is geen vleierij voor haar, maar oprecht gemeend wat hij van haar zegt.
1. Hij legt een goede getuigenis van haar af.
A. Zij was als een zuster voor Paulus. Phebe, onze zuster, niet door geboorte, maar door genade, niet door aanhuwelijking of bloedverwantschap, maar door zuivere Christelijkheid, zijn eigen zuster in het geloof van Christus, die Paulus liefhad en door hem geliefd werd, met een reíne, kuise, geestelijke liefde gelijk een zuster, want in Christus is geen man of vrouw, maar zijn zij allen een, Galaten 3:28. Zowel de apostelen als Christus hadden sommige hunner beste vrienden onder de godvrezende en daarom eerbare vrouwen.
B. Een dienaresse der gemeente, die te Kenchreën is, diakonon, een dienaresse in de bediening, een aangestelde dienaresse, niet om het Woord te prediken, dat was de vrouwen verboden, maar in de uitoefening van liefdadigheid en gastvrijheid. Sommigen houden haar voor een der weduwen, die de zieken verpleegden en daartoe in dienst der gemeente waren getreden, 1 Timotheus 5:9. Onder deze waren armen en ouden, terwijl Phebe naar het schijnt een vrouw van hogeren stand is geweest, maar toch achtte zij het gene vernedering dienaresse der gemeente te zijn. Waarschijnlijk waren zij gewoon ten haren huize samen te komen, en nam zij de zorg voor het onderhoud der dienaren, voornamelijk der vreemdelingen op zich. Allen, ieder in zijn eigen kring, moeten zich beijveren de gemeente te dienen, want daarin dienen wij Christus, en het zal ten jongsten dage herdacht worden. Kenchrae was een kleine zeehaven, die aan Corinthe grensde, op ongeveer twaalfhonderd metersafstands. Sommigen menen dat daar een afzonderlijke gemeente gesticht was, maar aangezien de afstand zo gering was, is het waarschijnlijk dat de gemeente van Corinthe de gemeente van Kenchreën genoemd wordt, omdat daar de plaats van samenkomst was, daar er in de stad te grote tegenstand geboden werd, Handelingen 18:12, gelijk de Christenen te Filippi buiten de stad aan den oever der rivier vergaderden, Handelingen 16:13. Zo zou de Gereformeerde gemeente te Parijs de gemeente te Charenton kunnen genoemd worden, omdat zij gewoon was daar, buiten de stad, samen te komen.
C. Zij is ene voorstandster van velen geweest en ook van mij zelven, vers 3, voornamelijk van Paulus. Zij had velen geholpen, die in nood en droefheid waren, een goed en navolgenswaardig voorbeeld voor vrouwen, die daartoe in de gelegenheid zijn. Zij was vriendelijk voor hen, die daaraan behoefte hadden, en toonde dat door hen te helpen, en haar goedheid strekte zich ver uit, zij was een voorstandster van velen. Merk op de dankbaarheid van Paulus in de vermelding van haar bijzondere goedhartigheid voor hem: En ook van mij zelven. Erkenning van bewezen diensten is wel de geringste vergelding, die wij er voor geven kunnen, maar dat kan ieder. -Het was een grote eer voor haar dat Paulus dit getuigenis van haar aflegde, want overal waar zijn brief gelezen wordt blijft haar vriendelijkheid voor Paulus in gezegende herinnering.
2. Hij beveelt haar aan in hun zorg en vriendelijkheid, als iemand die waardig is met bijzondere achting behandeld te worden.
A. Ontvangt haar in den Heere. Neemt haar aan, heet haar welkom. Dit paspoort van Paulus hand gaf haar natuurlijk gaarne toegang tot elke Christelijke gemeente. Ontvangt haar in den Heere, dat is: om des Heeren wil, ontvangt haar als een dienaresse en vriendin van Christus. Evenzo als het den heiligen betaamt hen te ontvangen, die Christus liefhebben, en dus om Zijnentwil al de Zijnen liefhebben, of: zoals het heiligen betaamt, zoals heiligen behoren ontvangen te worden, met liefde, tederheid en de eervolste toegenegenheid. Er kunnen zich gelegenheden voordoen om onze belangstelling in onze vrienden op bijzondere wijze te betonen, niet alleen voor ons zelven maar ook voor anderen, belangstelling is de weg naar goeddoen.
B. Staat haar bij in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben. Hetzij in handelszaken, of in aangelegenheden bij het hof, dat doet er niet toe, zij is een weduwe, een vreemdelinge, een Christin, zij heeft behoefte aan uwe hulp. Paulus nodigde hen dus uit haar terzijde te staan. Het betaamt Christenen elkaar in hun zaken behulpzaam te zijn, voornamelijk hulpvaardig voor vreemdelingen te zijn, wij zijn elkanders leden en wij kunnen nooit weten hoe wij eens hulp van node kunnen hebben. Merk op: Paulus vraagt hier hulp voor haar, die zelf zo velen geholpen had. Die nat maakt zal zelf nat gemaakt worden.
II. Hier zijn groetenissen aan sommige bijzondere vrienden in hun midden, en wel meer dan in enige andere zijner brieven. Ofschoon de zorg voor alle gemeenten Paulus dagelijks overviel, genoeg om een gewoon hoofd te verwarren, toch kon hij de gedachtenis van zo velen vasthouden. En zijn hart was zo vol liefde en toegenegenheid, dat hij aan ieder groeten zond met enig bijzonder bijschrift en met bepaalde uitdrukking van liefde en belangstelling voor hen. Groet hen en bewijst hun ere namens mij, dat is hetzelfde woord aspasasthe. Laat hen weten dat ik mij hunner herinner, hen liefheb en hun het beste toewens. In verscheidene van deze begroetingen is iets eigenaardigs en bijzonders op te merken.
1. Betreffende Aquilla en Priscilla, een beroemd echtpaar, dat op bijzondere wijze Paulus vriendschap genoot. Zij waren oorspronkelijk van Rome, maar werden later vandaar verbannen door het vonnis van Claudius in Handelingen 28:2. Te Corinthe geraakte Paulus met hen in kennis, wrocht met hen in hetzelfde handwerk van tenten maken, maar enigen tijd later, toen de scherpte van het vonnis afgesleten was, keerden zij naar Rome terug, en daarheen zendt Paulus hun nu zijn groeten. Hij noemt hen zijne medewerkers in Christus Jezus, door afzonderlijken omgang en onderricht bevorderden zij den goeden uitslag van Paulus openbare prediking, gelijk wij daarvan een voorbeeld hebben in het onderricht, dat zij Apollos gaven, Handelingen 18:26. Zij zijn de medewerkers van getrouwe dienaren, die zich beijveren in hun gezin en onder hun naasten de zielen goed te doen. Ja zij deden niet alleen dit, maar nog veel meer, zij hadden veel gewaagd voor Paulus. Die ook voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben. Zij stelden zich zelven bloot om Paulus te bewaren, waagden hun eigen leven voor de redding van het zijne: in aanmerking nemende hoeveel beter het was als het zijne gespaard bleef boven het hun. Paulus die toen met hen te Corinthe verblijf hield, was daar voortdurend in groot gevaar, maar zij beschermden hem ofschoon zij zich daardoor gehaat maakten bij de woedende menigte, Handelingen 18:12. Het was nu reeds geruimen tijd geleden, dat zij Paulus zoveel hartelijkheid betoond hadden, maar nog spreekt hij er met zoveel gevoel over alsof het pas gisteren gebeurd was. Welken niet alleen ik dank, zegt hij, maar ook al de gemeenten der heidenen, die allen verplichting hadden aan deze goede mensen, omdat zij geholpen hadden aan het beveiligen van het leven des apostels der heidenen. Paulus voegt dat erbij om de Christenen te Rome te bewegen des te groter vriendschap aan Aquila en Priscilla te betonen. Hij zendt evenzo groeten aan de gemeente in hun huis, vers 5. Het schijnt dus dat een huisgemeente niet zulk een ongerijmd ding is als sommigen meermalen menen. Misschien was er een vergadering van Christenen, die gewoon was op bepaalde tijden hun huis als plaats van samenkomst te gebruiken, en in dat geval werd zonder twijfel hun huis om die reden gezegend evenals vroeger het huis van Obed Edom, omdat de ark des verbonds daarin opgenomen was. Anderen menen dat die gemeente niets anders was dan het godsdienstige, godvrezende, goed geregeerde gezin, dat de verering van God handhaafde. Godsdienst, die zijn kracht toont door een huisgezin te regeren, verandert zulk een gezin in een gemeente. En zonder twijfel was het van groten invloed, dat Priscilla de goede huismoeder van dit gezin was, en dat zij zo uitnemend en zo goed-voorbeeld-gevend in het huis was, -zo voortreffelijk dat zij dikwijls met ere genoemd wordt. Een deugdzame vrouw, die goed toezicht houdt op hetgeen in haar huis geschiedt, kan zeer veel toebrengen aan de vorderingen in de godzaligheid van haar gezin. Ofschoon Priscilla en Aquila te Efeze slechts tijdelijk verblijf hielden, hadden zij ook daar een gemeente ten hunnen huize, 1 Corinthiërs 16:19. Een waarlijk godvrezend man zal zorg dragen dat hij overal godsdienstig is, waar hij zich ook bevindt. Wanneer Abraham zijn tenten opbrak, vernieuwde hij het altaar, Genesis 13:18.
2. Betreffende Epenetus, vers 5. Dezen noemt hij zijn beminde. Indien de wet der liefde in het hart geschreven staat, zal de wet der vriendelijkheid de tong regeren. De Christenen behoren waarderend over elkaar te spreken om liefde te tonen en liefde te winnen. Zo noemt hij Amplias zijn beminde in den Heere, dien hij met trouwe Christelijke liefde beminde om des Heeren wil, en Stachys zijn beminde. Dat Paulus zo boven alles waarde hechtte aan de liefde, was een bewijs dat hij in den derden hemel opgetrokken was geweest. Van Epenetus wordt verder gezegd dat hij de eersteling is van Achaje in Christus, niet slechts een van de uitnemendste gelovigen uit die landstreek, maar de eerste die tot het geloof in Christus bekeerd werd, een dergenen die door Paulus aan God geofferd waren als de eerstelingen van zijne bediening aldaar, een eersteling van den groten oogst, want te Corinthe, de hoofdstad van Achaje, had God veel volks, Handelingen 18:10. Bijzondere eerbied moet bewezen worden aan hen, die vroeg beginnen en aan het werk in den wijngaard gaan in de eerste ure en op de eerste roeping. Van het huisgezin van Stephanas wordt evenzo gezegd dat het de eersteling van Achaje was, 1 Corinthiërs 16:15. Misschien was Epenetus een lid van dat huisgezin, of tenminste behoorde hij tot "de eerste drie", niet alleen de eerste, maar een van de eerste kudde van Christenen, die in Achaje verzameld werden.
3. Betreffende Maria en enige andere vrouwen. die ijverig bezig waren in goede werken, bedrijvige Christinnen. Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. Ware liefde houdt nooit op met arbeiden, maar heeft er veel meer vermaak in, waar veel liefde is zal veel gearbeid worden. Sommigen menen dat deze Maria geweest was in enkele plaatsen, waar Paulus gepredikt had, maar nu naar Rome verhuisd was, en dat zij hem daar vroeger persoonlijk gediend had, anderen denken dat Paulus haar arbeid voor hem verricht noemt, omdat die voor zijn vrienden en medewerkers besteed was, hetgeen hij rekent als aan hem zelven geschied. Hij zegt van Tryphena en Tryfosa, twee zeer nuttige vrouwen in haar eigen kring, dat zij in den Heere arbeiden, vers 12, en van de geliefde Persis, een andere godvrezende vrouw, dat zij veel gearbeid heeft in den Heere, meer dan anderen, meer overvloedig in het werk des Heeren.
4. Betreffende Andronicus en Junias, vers 7. Sommigen menen dat dit een echtpaar was, en het oorspronkelijke laat die uitlegging zeer goed toe. Den naam van de tweede in aanmerking genomen, is dat waarschijnlijker dan dat zij beiden mannen zouden geweest zijn, broeders, gelijk sommigen denken. Merk op:
A. Zij waren Paulus neven (neef en nicht), zijne magen, dat was Herodion ook, vers 11. De godsdienst maakt geen einde aan onze verwantschap, maar herstelt, heiligt en veradelt die, legt ons de verplichting op het meeste ten goede van onze bloedverwanten te doen en ons vooral te verblijden wanneer wij met hen verbonden zijn door het geloof in Christus.
B. Zij waren zijne medegevangenen. Deelgenootschap in het lijden draagt dikwijls veel bij tot de vereniging van zielen en tot het knopen van vriendschapsbanden. Wij lezen niet in de Handelingen der Apostelen van enige gevangenschap van Paulus voor hij dezen brief geschreven had, behalve die te Filippi, Handelingen 16:23. Maar Paulus was in gevangenissen menigmaal, 2 Corinthiërs 11:23, en het schijnt dat hij bij een van die gelegenheden zijne vrienden Andronicus en Junias ontmoette, zijn jukdragers met hem, gelijk in andere dingen, zo ook in het lijden en jukdragen om Christus wil.
C. Zij waren vermaard onder de apostelen, niet zozeer waarschijnlijk omdat zij mensen waren van stand en rang naar de wereld dan wel omdat zij uitnemend waren in kennis, en genade, en gaven. Dat maakte hen vermaard bij de apostelen, die in deze zaken bevoegde beoordelaars waren en begaafd met den geest der onderscheiding niet alleen van de oprechtheid, maar ook van de voortreffelijkheid der Christenen.
D. Die ook voor mij in Christus geweest zijn, dat is, die voor mij tot het Christelijk geloof bekeerd werden. In den tijd der bekering waren zij Paulus vooruit, ofschoon hij bekeerd werd reeds het jaar volgende op dat van de hemelvaart des Heeren. Paulus was altijd bereid het te erkennen wanneer iemand in enig opzicht boven hem den voorrang had.
5. Betreffend Apelles, die hier genoemd wordt beproefd in Christus, vers 10, een voortreffelijk man! Hij was bekend om de oprechtheid en ongeveinsheid van zijn godsvrucht, iemand die beproefd was, beproefd door zijn vijanden, en hij was bevonden goed te zijn. Hij had beproefde kennis en oordeel, beproefde moed en standvastigheid, een man op wie men rekenen kon en die waard was dat men hem vertrouwde.
6. Betreffende Aristobulus en Narcissus, van deze beiden worden de huisgezinnen vermeld, vers 10, 11. Degenen die van hun huisgezin zijn, degenen namelijk die in den Heere zijn. Hoe nauwlettend was Paulus om niemand met zijn groetenissen over te slaan, die hem enigszins bekend was! Aristobulus en Narcissus waren, naar sommigen menen, afwezig of kort geleden gestorven. Anderen houden het er voor dat zij ongelovigen waren, die dus nog niet het Christendom aangenomen hadden, gelijk Pareus, en sommigen menen dat deze Narcissus dezelfde is, die in de levensbeschrijving van keizer Claudius verscheidene malen genoemd wordt, een zeer rijk man, die een groot gezin had, maar zeer boos en goddeloos was. Naar het schijnt, waren er dan enige goede dienstbaren of enkele uit zijne betrekkingen, zelfs in het gezin van dezen boosdoener, die God vreesden, hetgeen meermalen het geval is, 1 Timotheus 6:1, verg. vers 2. De arme slaaf wordt als een uitverkorene geroepen en gelovig, terwijl de rijke meester voorbijgegaan wordt en in zijn ongeloof verloren gaat. Want zo, Vader, heeft het U behaagd!
7. Betreffende Rufus, vers 13, den uitverkorene in den Heere. Hij was een verkoren Christen, wiens gaven en genaden bewijs gaven dat hij voor eeuwig uitverkoren was door Christus Jezus. Hij was in oprechtheid en heiligheid een uit duizend. En zijne moeder en de mijne, zijne moeder door geboorte en de mijne door Christelijke liefde en toegenegenheid, zoals hij Phebe zijne zuster noemt en Timotheus leert bejaarde vrouwen als moeders te bejegenen, 1 Timotheus 5:2. Deze godvrezende vrouw had zich bij de een of andere gelegenheid voor Paulus als een moeder gedragen door hem te verzorgen en te verplegen, en Paulus erkent dat dankbaar, door haar moeder te noemen.
8. Betreffende de overigen is het opmerkelijk dat hij groet de broederen die met hen zijn, vers 14, en al de heiligen die met hen lieden zijn, vers 15, met hen in familiebetrekking staan, met hen verbonden zijn door den band der Christelijke gemeenschap. Het is de goede eigenschap, dat zij zich in elkanders bijzijn verheugen, en Paulus voegt hen in zijne groetenissen bijeen om hen elkaar des te dierbaarder te maken. Ten einde te voorkomen dat een hunner zich beledigd zou achten, omdat hij meende door Paulus vergeten te zijn, besluit hij met een groet aan al de overige broederen en heiligen, ofschoon niet met name genoemd. In Christelijke vergaderingen behoren kleinere afdelingen samen te blijven in liefde en omgang onderling en alle gelegenheden aan te grijpen om dikwijls bij elkaar te komen. Onder al degenen aan wie Paulus hier zijn groeten zendt, wordt met geen enkel woord van Petrus gewaagd, hetgeen aanleiding geeft om te onderstellen dat deze geen bisschop van Rome was, gelijk de Roomsen beweren, want indien hij het geweest ware zou hij daar moeten hebben wonen en hoe zou Paulus dan zulk een langen brief aan de Christenen aldaar geschreven hebben, zonder hem enigszins te vermelden? Ten slotte. Hij besluit met de aanbeveling van hen allen in de liefde en genegenheid van elkaar. Groet elkaar met een heiligen kus. Wederkerige begroetingen bedoelen uitdrukking van liefde te zijn en daarom versterken en vermeerderen zij de liefde en maken de Chrislenen elkaar dierbaarder. Daarom moedigt Paulus hier het gebruik daarvan aan, maar geeft het voorschrift dat die begroetingen heilig moeten zijn, een kuise kus, in tegenstelling van den kus der onreinheid en der hoererij, een oprechte kus, in tegenstelling van den kus des verraads, den kus van Judas toen hij Christus verried. Aan het einde voegt hij er een algemenen groet aan hen allen aan toe, uit naam van de gemeenten van Christus, vers 16. De gemeenten van Christus groeten ulieden, dat is, de gemeenten, in welken ik thans verkeer, en welke ik gewoon ben persoonlijk te bezoeken. Deze als met u verbonden door de banden van het algemeen Christelijk geloof, verzoeken mij u hun toegenegenheid en hun beste wensen jegens u over te brengen. Dit is een der middelen om de gemeenschap der heiligen te onderhouden.