1 Corinthiërs 11:1-16
Paulus, na de vragen beantwoord te hebben, die hem voorgelegd waren, komt in dit hoofdstuk tot het herstellen van grieven. Bij de verdeling van den brief in hoofdstukken heeft men het eerste vers genomen als voorrede voor de rest van het hoofdstuk, maar het schijnt meer het slot van de vorige afdeling des briefs te zijn, waarin hij de onderscheidene waarschuwingen tegen misbruik van onze vrijheid aangedrongen heeft met zijn eigen voorbeeld.
Weest mijne navolgers, gelijkerwijs ik ook van Christus, vers 1, is een goed besluit van zijn bewijsvoeringen, en de wijze van spreken in het volgende vers verbindt het ene gedeelte aan het andere. Maar hetzij dit vers bij dit of bij het vorige hoofdstuk behoort, in elk geval blijkt er duidelijk uit, dat Paulus niet alleen ene leer verkondigde, die zij moesten geloven, maar ook een leven leidde, dat zij behoorden na te volgen. Weest mijne navolgers, dat is: Doet als ik, leeft zoals ge mij ziet leven. Dienaren zullen den meesten kans hebben, dat hun woord ingang vindt in de harten der hoorders wanneer ze hen kunnen opwekken om hen na te volgen. Toch verlangt Paulus niet dat men hem blindelings volge. Hij moedigt geen onvoorwaardelijk vertrouwen of gehoorzamen aan. Hij wil niet verder gevolgd worden dan voorzover hij Christus volgt. Christus wandel is een smetteloos voorbeeld, zoals dat van geen enkel ander. Wij mogen geen leider verder volgen dan voorzover hij Christus volgt. Ook apostelen zouden we moeten verlaten indien zij ons van het voorbeeld onzes Heeren afleidden. En nu gaat hij over tot het bestraffen en herstellen van een onvoegzaamheid onder hen, waaraan voornamelijk de vrouwen schuldig stonden. Wij letten daarbij op:
I. De wijze, waarop hij zijn onderwerp inleidt. Hij begint met te vermelden wat prijzenswaard in hen is, vers 2. Ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik u die overgegeven heb. Het is waarschijnlijk dat velen hunner dit in den striktsten zin des woords deden, en hij neemt daaruit aanleiding om de gehele gemeente deswege te prijzen, de gemeente in haar geheel schijnt de voorschriften en instellingen van Christus voortdurend gevolgd te hebben, ofschoon ze die in enkele opzichten verlieten of bedierven. Wanneer wij berispen wat in iemand verkeerd is, zal het goed zijn te prijzen en aan te moedigen wat goed in hem is, daaruit blijkt dat de berisping geen onwil is en geen lust tot afkeuren en fouten-vinden, en daarom zal het veel meer in goede aarde vallen.
II. Hoe hij den grondslag legt voor zijne berisping door de meerderheid van den man boven de vrouw vast te stellen. Ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijk mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus. Christus, in Zijn middelaarschap en verheerlijkte mensheid is het hoofd van allen. Hij is niet alleen de eersteling der mensheid maar haar Heere en Gebieder. Hij heeft een naam boven allen naam, en toch in deze hoge waardigheid en in dit gezag heeft Hij een meerdere: God is zijn hoofd. En gelijk God het hoofd is van Christus en Christus dat der mensheid, zo is de man het hoofd van de beide geslachten, wel niet met zulke heerschappij als Christus over de mensheid of God over den mens Christus Jezus heeft, maar hij heeft ene meerderheid en is het hoofd, en de vrouw zal in onderwerping zijn en niet aanspraak maken op de plaats van den man en zich die aanmatigen. Dit is de plaats, waarin God haar gesteld heeft, en daarom behoort ze ene gezindheid te hebben, die aan haar rang voegt, en niets te doen dat gelijkt op aanmatiging of ruiling van plaats. Het schijnt dat aan iets dergelijks schuldig stonden de vrouwen in de gemeente te Corinthe, die geïnspireerd waren, en baden en profeteerden zelfs in de vergaderingen, vers 5. Het is inderdaad een apostolische instelling dat de vrouwen in de gemeente zwijgen, Hoofdstuk 14:34, 1 Timotheus 2:12, hetwelk door sommigen zonder uitzondering opgevat wordt, zodat ook een geïnspireerde vrouw zwijgen moest, hetgeen vrijwel met de bedoeling des apostels schijnt overeen te komen, Hoofdstuk 14.. Anderen onderstellen enige beperking, ofschoon een vrouw niet door haar eigen bekwaamheid mocht gaan onderwijzen of vraagstukken opwerpen en behandelen in de gemeente, was de zaak anders en had zij vrijheid om te spreken wanneer ze geïnspireerd werd. Of: hoewel ze niet mocht prediken, zelfs niet bij ingeving (want onderwijzen is de roeping van den meerdere) mocht zij bidden en bij inspiratie geestelijke liederen voordragen, ook in de openbare samenkomsten. Door zulke openbare Godsverering toonde zij gene begeerte naar meerderheid boven den man. Het is duidelijk dat de apostel hier de zaak niet verbiedt, maar alleen de wijze afkeurt waarop het geschiedde. En toch kon hij in een ander gedeelte van den brief de gehele zaak verbieden en haar de vrouwen ten enenmale ontzeggen. Daar is geen tegenstrijdigheid in. Hier is het zijn doel de wijze, waarop de vrouwen in de gemeente baden en profeteerden, af te keuren, zonder te bepalen of zij er wèl aan deden door te bidden en te profeteren. De wijze, waarop enig ding geschiedt, bepaalt er het zedelijk karakter van. Wij moeten niet alleen trachten het goede te doen, maar ook het goede goed te doen.
III. Hetgeen hij afkeurt is, dat vrouwen ongedekt bidden en profeteren, en dat de mannen het gedekt doen, vers 4, 5. Om dit goed te begrijpen dient men zich te herinneren, dat gesluierd of met gedekten hoofde te zijn in oostelijke landen een teken van schaamte of van onderwerping is, in tegenstelling met onze gewoonten, waar het blootshoofds zijn onderwerping beduidt en het gedekte hoofd meerderheid en gezag. Daardoor zullen we beter de bedoeling verstaan.
IV. De redenen, die hij voor zijne berisping aangeeft.
1. Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd, vers 3, namelijk Christus, die het hoofd van iedere man is, en wel door een handeling, die niet overeenkomstig is met den rang waarin God hem geplaatst heeft. Wij moeten ook in kleding en gewoonten alles vermijden wat Christus oneer kan aandoen. Maar daarentegen: Een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd, vers 3, dat is: haar man. Zij verschijnt in het kleed van haar meerdere, en werpt het teken van hare onderwerping af. Zij zou met dezelfde bedoeling zich het haar kunnen afsnijden en het kort dragen, zoals de mannen in dien tijd gewoon waren. Dat zou in zekeren zin het bewijs zijn dat ze begerig was de seksen te veranderen, en een openlijke aanmatiging van de meerderheid, welke God aan de andere sekse verleend heeft. En dat was waarschijnlijk de fout van deze profetessen in de gemeente te Corinthe. Zij deden daardoor iets, dat in dien tijd meerderheid betekende en maakten aanspraak op iets, dat tot de andere sekse behoorde. De seksen mogen niet van plaats wisselen. De orde, waarin de goddelijke wijsheid mensen en dingen geplaatst heeft, is de beste en geschiktste. De vrouwen moeten den rang bewaren, haar door God gegeven en niet haar hoofd onteren, want dat is in den diepsten grond God onteren. Omdat zij gemaakt is uit den man, en voor den man en om de heerlijkheid van den man te zijn, mag zij niets doen, vooral niet in het openbaar, dat den schijn heeft van een wens om deze orde om te keren.
2. Een andere reden tegen zulk gedrag is: dat de man het beeld en de heerlijkheid Gods is, de vertegenwoordiger van de heerschappij en het glorierijk gezag, dat God over de wereld heeft. Het is de man, die aan het hoofd van deze lagere schepping gesteld is, en daarom draagt hij de gelijkenis Gods. De vrouw echter is de heerlijkheid des mans, vers 7, zij is zijn vertegenwoordigster. Niet in dien zin, dat zij gene heerschappij over de lagere schepping heeft en in zoverre ook de vertegenwoordigster Gods is, maar zij is het in de tweede plaats. Zij is het beeld Gods, voorzover zij het beeld des mans is, want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw uit den man, vers 8. De man is eerst geschapen, en tot hoofd van de aardse schepping gesteld, en de vrouw is gemaakt uit den man, een afschijnsel van zijne heerlijkheid, de meerdere van alle aardse schepselen, maar in onderwerping aan haar man, en die eer ontlenende aan hem, uit wie zij gemaakt werd.
3. Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man, vers 9, zij is zijne hulpe. Zij werd natuurlijk daarom aan hem ondergeschikt gemaakt, omdat zij om hem geschapen is, tot zijn gebruik, hulp en bijstand. En zij, die bestemd werd om steeds in onderwerping aan den man te zijn, mag in Christelijke samenkomsten niets doen, dat naar een poging tot gelijkstelling zweemt.
4. Zij moet ene macht op het hoofd hebben om der engelen wil. Een macht, dat is een sluier, het teken dat zij niet de macht en het gezag heeft maar onder de macht van haar man is, aan hem onderworpen, en de mindere tegenover de andere sekse. Rebekka, toen zij Izaak ontmoette en in zijn bezit gesteld werd, sluierde zich ten teken van haar onderwerping, Genesis 24:65. Zo wilde de apostel dat de vrouwen in de Christelijke vergaderingen zouden verschijnen, ook wanneer zij door ingeving het woord voerden, om der engelen wil. Dat is, naar sommigen menen, om der boze engelen wil. De vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest, 1 Timotheus 2:14. Daardoor is hare ondergeschiktheid aan den man toegenomen, Genesis 3:16. En omdat boze engelen zeker zich onder alle Christelijke vergaderingen mengen, moeten de vrouwen het teken van schaamte en onderwerping dragen, dat toentertijd de sluier was. Anderen menen om der goede engelen wil. Joden en Christenen hadden de overtuiging, dat velen van deze goede geesten in hun vergaderingen tegenwoordig waren. Hun aanwezigheid moest de Christenen terughouden van alle onvoegzaamheid in de verering Gods. Wij moeten uit alles leren ons in de samenkomsten ter verheerlijking Gods zo te gedragen, dat wij eerbied voor Hem betonen en tevreden en voldaan zijn met den rang, waarin Hij ons geplaatst heeft.
V. Hij acht het echter nodig zijn bewijsvoering een tegenwicht te geven, opdat de ondergeschiktheid niet te ver gedreven worde, vers 11 en 12: Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere. Zij zijn voor elkaar gemaakt.
Het is niet goed dat de mens alleen zij, Genesis 2:18, en daarom werd de vrouw gemaakt, gemaakt voor den man, en de man werd bestemd om de helper en de verdediger van de vrouw te zijn, ofschoon hij niet zo bepaald en onmiddellijk voor haar gemaakt werd. Zij werden bestemd om elkanders troost en zegen te zijn, niet de ene slavin en de ander dwingeland. Die beiden zijn een vlees, Genesis 2:24, en zulks tot voortplanting van het menselijk geslacht. Zij zijn wederkerig de werktuigen om elkaar voort te brengen. Gelijk de vrouw eerst genomen werd uit den man. zo is voortaan de man uit de vrouw, vers 12, alles door de goddelijke wijsheid en macht van den Oorsprong aller dingen. Het gezag en de onderwerping moeten niet groter zijn dan voegzaam is bij twee, die in zo nauwe betrekking en zo innige vereniging tot elkaar staan. Gelijk het de wil Gods is dat de vrouw haar plaats weten zal, zo is het ook Zijn wil, dat de man zijne macht niet misbruiken zal. V
I. Hij zet zijn bewijsvoering kracht bij door te wijzen op de natuurlijke bedekking aan de vrouw geschonken, vers 13-15 :Oordeelt gij onder uzelven -raadpleegt uw eigen verstand, let op wat de natuur aangeeft-is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidde? Moet er geen onderscheid zijn in de wijzen, waarop de beide seksen het haar dragen, nu de natuur zelf dat gemaakt heeft? Is het niet een onderscheid, dat de natuur bij alle beschaafde volken ingesteld heeft? Het lange haar der vrouw is een natuurlijke bedekking, lang haar dragen is haar ere, maar voor een man is lang haar, dat gekapt wordt, een teken van wekelijkheid en verwijfdheid. Wij moeten opletten, vooral in Christelijke en godsdienstige vergaderingen, dat we geen inbreuk maken op de aanwijzingen, die de natuur geeft.
VII. Hij eindigt door zich te richten tot hen, die twistgierig waren ten opzichte van de gewoonten en gebruiken in de gemeenten, vers 16. Gewoonte is een goede maatstaf voor de regelen der welvoeglijkheid. Hij wenste dat ze zich zouden laten leiden door het algemeen gebruik in de gemeenten. Hij legt den ontevredenen niet met gezag het zwijgen op, maar deelt hun mede dat ze ieder zeer dwaas en zonderling zullen toeschijnen, indien ze twisten gingen over een handelwijze, die toen aan alle Christelijke gemeenten volkomen vreemd was, of tegen een gewoonte, waarin alle het eens waren, en dat op grond van natuurlijke welvoeglijkheid. Het was algemeen gebruikelijk dat de vrouwen der gemeente in de openbare vergaderingen en ter bijwoning van den eredienst gesluierd verschenen, en het was zeer duidelijk welvoegelijk. Die daarover twistten of deze goede gewoonte afschaffen wilden, toonden daardoor wel zeer twistziek te zijn.