1 Koningen 22:1-14
Hoewel Achab onder schuld en toorn bleef en onder de heerschappij van zijn lusten, waaraan hij zich verkocht had, zien wij hem toch tot loon voor zijn belijdenis van berouw en verootmoediging, en hoewel de tijd naderde, dat hij in de strijd zou afgaan en omkomen, gezegend met een driejarige vrede, vers 1, en dat hem een eervol bezoek wordt gebracht door Josafat, koning van Juda, vers 2. Er was een fabelachtige waan onder de Joden, dat Achab toen hij zich verootmoedigde om zijn zonde, Josafat verzocht heeft om tot hem te komen en hem te kastijden, en dat Josafat enige tijd bij hem bleef en hem iedere dag een zeker getal geselslagen gaf. Dat is een overlevering, die hoegenaamd geen grond heeft. Hij is nu gekomen, waarschijnlijk om met hem over de zaken van hun koninkrijk te beraadslagen. Het is vreemd dat zo'n grote man als Josafat zoveel eerbied heeft betoond voor een koninkrijk, dat zich van het huis van David had afgescheurd, en dat zo'n Godvruchtig man zoveel vriendelijkheid heeft bewezen aan een koning, die van de aanbidding Gods was afgevallen. Maar hoewel hij een Godvrezend man was, had hij toch een al te meegaand karakter waardoor hij in strikken en ongelegenheden geraakte.
De Syriërs durfden Achab niet verontrusten, maar:
I. Achab zint hier op een oorlog tegen de Syriërs, en beraadslaagt er over met zijn omgeving, vers 3. De koning van Syrië gaf er hem aanleiding toe. Toen hij in Achabs macht was, beloofde hij hem zijn steden terug te zullen geven, Hoofdstuk 20:34, en Achab heeft hem dwaas op zijn woord geloofd, terwijl hij hem niet heen had moeten laten gaan, voordat die steden in zijn bezit gesteld waren. Maar nu weet hij door ervaring wat hij vooruit had moeten bedenken, namelijk dat, evenals de kussen, ook de beloften van een vijand bedrieglijk zijn, en dat er geen vertrouwen gesteld kan worden in verbonden, die door de nood zijn afgedwongen. Benhadad is een van die vorsten, die zich niet langer gebonden achten aan hun woord dan hun belang het meebrengt. Wij bevinden niet dat andere steden teruggegeven zijn, Ramoth in Gilead was het niet. Dit was een aanzienlijke stad in de stam van Gad aan de andere kant van de Jordaan, een Levietenstad en een van de vrijsteden. Achab laakt zichzelf en zijn volk, omdat zij geen poging doen om haar aan de Syriërs te ontnemen en Benhadad te tuchtigen voor zijn schending van het verbond, en hij besluit die ondankbare valse koning te doen weten dat hij, gelijk hij hem vrede had gegeven, hem ook onrust kon veroorzaken. Achab heeft een goede zaak, maar slaagt toch niet. Het recht moet niet naar voorspoed worden beoordeeld.
II. Hij bewoog Josafat om zich bij hem te voegen in deze veldtocht om Ramoth in Gilead te heroveren, vers 4. Het verwondert mij niet dat Achab de hulp begeerde van zo'n Godvruchtige en voorspoedige nabuur. Slechte mensen hebben dikwijls naar de vriendschap van de Godvruchtigen gestaan. Het is begerenswaardig gemeenschap te hebben met hen, die gemeenschap oefenen met de hemel, diegenen met ons te hebben, met wie God is. Maar het is vreemd, dat Josafat zo volkomen Achabs belangen wil voorstaan, dat hij zegt: zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk. Ik hoop van niet. Josafat en zijn volk zijn niet zo slecht en verdorven als Achab en zijn volk. Al te grote inschikkelijkheid voor boosdoeners heeft veel Godvruchtigen door onbehoedzaamheid in gevaarlijke gemeenschap gebracht met de onvruchtbare werken van de duisternis. Josafat had zijn kompliment bijna duur moeten betalen, toen hij in de veldslag voor Achab werd aanzien. Maar sommigen maken de opmerking dat hij, door zich met Israël te verenigen tegen Syrië, vergoeding heeft gedaan voor de fout van zijn vader, toen deze zich met Syrië verenigde tegen Israël, Hoofdstuk 15:19, 20
III. Op bijzonder verzoek en aandringen van Josafat vraagt hij raad aan de profeten betreffende deze veldtocht. Achab achtte het voldoende om met zijn staatslieden te rade te gaan, maar Josafat stelt voor dat zij naar het woord des Heeren zullen vragen, vers 5. Overal waar een Godvruchtig man heengaat, begeert hij God mee te nemen, en zal Hem erkennen in al zijn wegen, Hem om verlof vragen, en tot Hem opzien voor welslagen. Overal waar een Godvruchtige heengaat, moet hij zijn Godsdienst meenemen, zich niet schamen om hem te belijden, ook niet als hij zich bevindt onder hen die er niet welwillend voor gezind zijn. Josafat heeft zijn liefde en eerbied voor het woord des Heeren niet te Jeruzalem achtergelaten, maar belijdt beide en tracht ze ingang te doen vinden in het hof van Achab. Als Achab hem meetroont naar zijn strijd, zal hij Achab trachten te winnen voor zijn Godsverering.
IV. Achabs vier honderd profeten, zijn staand regiment van hen (profeten van het bos worden zij genoemd) raden hem eenstemmig aan om die veldtocht te ondernemen en verzekeren hem wèl te zullen slagen, vers. 6. Hij stelt hun met schijnbare oprechtheid de vraag: Zal ik ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? Maar zij weten waartoe hij geneigd is, en willen dus niet anders doen dan de twee koningen naar de mond spreken. Om Josafat te behagen maken zij gebruik van de naam JAHWEH Hij zal hen in de hand van de koning geven, zij hebben het woord van de ware profeten gestolen, Jeremia 23:30, en spraken hun taal. Om Achab te behagen, zeiden zij: Trek op. De waarschijnlijkheid was inderdaad aan hun zijde: Achab had niet lang geleden de Syriërs twee maal verslagen, hij had nu een goede zaak voor zich, en was zeer versterkt door zijn verbintenis met Josafat, maar zij gaven voor de taal van de profetie te spreken, maar niet naar beredeneerde gissing, door Goddelijk voorzien, niet door menselijk inzicht: "Gij zult voorzeker Ramoth in Gilead innemen." Zedekia, een leider onder deze profeten, helderde in navolging van de ware profeten-zijn valse profetie op door een teken, vers 11. Hij maakte zich een paar ijzeren hoornen, voorstellende de twee koningen met hun eer en macht (welke beiden aangeduid worden door hoornen, verhoging en kracht), en met deze moeten de Syriërs gestoten worden. Al de profeten verklaarden eenstemmig dat Achab als overwinnaar van deze veldtocht zal weerkeren, vers 12. Eenheid is niet altijd het kenmerk van de ware kerk en een getrouwe Evangeliebediening. Hier waren vier honderd mannen, die eensgezind en als uit één mond profeteerden, en toch allen in dwaling waren.
V. Josafat kon in die soort van prediking geen behagen vinden, zij was niet zoals hij haar gewoon was te horen. De valse profeten kunnen de ware niet zo nadoen, of hij, wiens geestelijke zintuigen geoefend waren moest het bedrog ontdekken, en daarom vraagt hij naar nog een profeet des Heeren, vers 7. Hij is te veel hoveling om iets ten nadele van de kapelanen van de koning te zeggen, maar hij wacht om een profeet des Heeren te zien, te kennen gevende dat hij dezen niet als zodanig kon beschouwen. Zij schenen wat te zijn (wat zij waren kon hem niet schelen), maar in de bespreking "hebben zij hem niets toegebracht," voldeden zij hem niet, Galaten 2:6. Een getrouwe profeet des Heeren was meer waard dan die allen.
Vl. Achab heeft er wel een, maar hij haat hem, hij heet Micha, en, om Josafat genoegen te doen, wil hij hem wel laten ontbieden, vers 8-10. Achab erkende dat zij door hem de Heere konden vragen, dat hij een waar profeet was, de wil en de bedoeling Gods kende. En toch: 1. Haatte hij hem, en schaamde zich niet om dat aan de koning van Juda te bekennen, en als reden er voor op te geven dat hij over hem niets goeds maar kwaad profeteert. En wiens schuld was dat? Indien Achab wèl had gedaan, hij zou dienovereenkomstig van de hemel gehoord hebben, indien hij kwaad doet, dan heeft hij de onrust, die hij onder de bestraffingen en bedreigingen van Gods woord gewaar wordt, zichzelf te wijten. Diegenen zijn ontzettend verhard in de zonde, en rijpen snel voor het verderf, die Gods dienstknechten haten, omdat zij eerlijk en open met hen handelen, en hen getrouw waarschuwen voor hun ellende en gevaar vanwege de zonde, en diegenen hun vijanden achten, die hun de waarheid zeggen.
2. Hij schijnt hem gevangen te hebben gezet want, toen hij hem in bewaring gaf, vers 26, gebood hij de beambte hem weer te brengen, namelijk naar de plaats, vanwaar hij kwam. Wij kunnen veronderstellen dat hij het was, die hem heeft bestraft wegens zijn goedertierenheid jegens Benhadad, Hoofdstuk 20:38 en verv, en dat hij daarom in de gevangenis was geworpen, waar hij dan nu al sedert drie jaren zat. Vandaar ook dat Achab hem zo gemakkelijk wist te vinden, vers 9. Maar zijn gevangenschap had Gods bezoeken aan hem niet buitengesloten, de geest van de profetie bleef er op hem rusten, hij was gebonden, maar het woord des Heeren was niet gebonden. Het heeft ook in het minst zijn moed niet terneer geslagen, of hem minder zeker en getrouw gemaakt in het overleveren van zijn boodschap. Josafat gaf een te zachte bestraffing aan Achab wegens zijn toorn tegen een getrouw profeet, de koning zegge niet alzo. Hij had moeten zeggen: "Gij zijt onrechtvaardig jegens de profeet, onvriendelijk voor uzelf en beledigt zijn en uw Heere door aldus te spreken." Zondaren als Achab moeten streng bestraft worden. Maar in zoverre luisterde hij toch naar de bestraffing, dat hij, uit vrees van Josafat er toe te brengen om zijn verbintenis met hem te verbreken, bevel geeft om Micha in allerijl te ontbieden, vers 9. De twee koningen zaten ieder in hun ambtsgewaad en op hun staatsiezetel in de poort van Samaria, gereed om de arme profeet te ontvangen en te horen wat hij te zeggen heeft, want velen willen het woord Gods wel horen, die er toch niet aan willen gehoorzamen. Zij waren omgeven door een menigte van vleiende profeten, die er niet aan konden denken om aan twee zulke glorierijke koningen, die nu met elkaar in verbond waren, iets anders te profeteren dat hetgeen zeer lieflijk en zeer aangenaam was. Zij die gaarne gevleid zijn, zullen om geen vleiers verlegen wezen.
Eindelijk. Micha wordt door de beambte, die hem haalde, gedrongen om met het algemene gevoelen in te stemmen, vers 13. Die beambte was de naam van Israëliet onwaardig, die een profeet wilde voorschrijven wat hij moest profeteren, maar hij dacht dat hij ten enenmale was zoals de anderen, die er zich wel op toelegden om de mensen te behagen maar niet om God te behagen. Hij zegt hem hoe eenstemmig de andere profeten het welslagen van de koning hadden voorzegd, en hoe aangenaam dit de koning was, dat het in zijn-Micha's-belang was om te spreken, zoals de anderen gesproken hebben, hij zou er niet alleen zijn vrijheid door winnen, maar kans hebben op bevordering. Zij, die zelf verzot zijn op wereldse zaken, denken dat ieder ander dit ook moet wezen, en waar of vals, recht of onrecht spreken zullen, al naar hun werelds belang het meebrengt. Hij geeft ook te kennen dat het geheel doelloos zou zijn om zich tegen een mening te verzetten, die door zovelen gedeeld wordt, hij zou slechts bespot worden als iemand, die dwaselijk voor een zonderling wil gehouden worden. Maar Micha kent betere dingen, hij betuigt en verklaart, en dat wel met een eed, dat hij met alle getrouwheid zijn boodschap van God zal overleveren, hetzij die boodschap aangenaam of onaangenaam is aan zijn vorst, vers 14, hetgeen de Heere tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken, zonder er iets aan toe te voegen, er van af te doen, of aan te veranderen. Kloekmoedig besloten! en zoals het betaamde aan iemand, wiens oog op een groter Koning gericht is dan dezen, die gekleed zijn met schitterender klederen en op een hoger troon zijn gezeten.