1 Koningen 18:41-46
Israël in zover hervormd zijnde, dat zij de Heere hadden erkend God te zijn, en bewilligd hadden in de terdoodbrenging van Baäl, ten einde niet langer door hen verleid te worden was-hoewel het allesbehalve een grondige hervorming was-in zoverre door God aangenomen, dat Hij nu de sluizen des hemels heeft geopend, en diezelfde avond (naar het schijnt) toen zij dit goede werk verricht hadden, zegeningen heeft uitgestort over het land, waardoor zij in hun hervorming bevestigd hadden moeten worden, Haggai 2:18, 19.
1. Elia zendt Achab heen om te eten en te drinken, uit blijdschap dat God nu "een behagen had aan zijn werken," zie Prediker 9:7, en dat de regen kwam. Achab had de hele dag gevast, hetzij in Godsdienstig vasten, daar het een dag van gebed was, of uit gebrek aan tijd, daar het een dag was van grote verwachting, maar nu liet hij hem eten en drinken, want hoewel anderen er nog geen teken van zien, Elia hoort door het geloof het geruis van een overvloedige regen, vers 41. God openbaart Zijn verborgenheden aan Zijn knechten de profeten.
2. Elia zondert zich af om te bidden, want hoewel God regen beloofd had, moet hij er toch om bidden, Zacheria 10:1, en om dankzegging te door voor Gods antwoorden door vuur, thans hopende op een antwoord door water. Wat hij zei wordt ons niet meegedeeld, maar:
a. Hij trok zich terug naar de top van de Karmel, die zeer hoog en zeer eenzaam was. Vandaar dat wij lezen van degenen, die "zich verborgen op de hoogte van Karmel," Amos 9:3. Daar wilde hij alleen zijn. Zij, die geroepen worden om in het openbaar te verschijnen en voor God te handelen, moeten toch tijd vinden om met Hem alleen te zijn en hun gemeenschap met Hem te onderhouden in de eenzaamheid. Daar stelde hij zich als het ware, op zijn wachttoren, zoals de profeet, Habak. 2:1.
b. Hij wierp zich op de knieën op de aarde, ten teken van ootmoed en dringend aanhouden in het gebed, en legde zijn aangezicht tussen zijn knieën, dat is: boog zijn hoofd zo diep, dat het zijn knieën aanraakte, zich aldus vernederende in het besef van zijn geringheid en onwaardigheid nu God hem zodanig geëerd had.
3. Hij beveelt zijn dienaar hem bericht te brengen, zodra hij een wolk zag opkomen uit de zee, de Middellandse zee, waarover hij van de top van de Karmel een ruim uitzicht had. De hedendaagse zeelieden noemen hem Kaap Karmel. Zes maal gaat de dienaar naar het hoogste punt om uit te zien, en ontdekt niets, brengt zijn meester geen goede tijding, maar Elia blijft bidden, wil er niet eens in zoverre van afgeleid worden om zelf te gaan zien, maar zendt zijn dienaar nogmaals uit om te zien of hij geen hoopgevende wolk kon ontdekken, terwijl hij vurig blijft bidden als iemand, die tot het besluit van vader Jakob is gekomen: "Ik zal u niet laten gaan, tenzij dan Gij mij zegent." Hoewel de verhoring van onze vurige en gelovige smekingen niet snel komt, moeten wij toch volharden in de gebeden, en niet vertragen, of ophouden, want op het einde zal Hij het voortbrengen en niet liegen.
4. Eindelijk verschijnt een wolkje, niet groter dan de hand van een man, maar dat weldra zich uitspreidt over de gehele hemel en de aarde bewatert, vers 44, 45. Grote zegeningen komen dikwijls voort uit een klein begin, en overvloedige stortregens uit een wolk van een span lengte. Laat ons daarom nooit de dag van de kleine dingen verachten, maar op grote dingen er van hopen en ze verwachten. Dit was niet als een morgenwolk, die voorbijgaat (Israëls weldadigheid is dit wel geweest) maar een, die zeer milde zegen voortbracht, Psalm 68:10, en een onderpand was van nog meer.
5. Hierop spoort Elia Achab aan om zich naar huis te spoeden, en vergezelt hem. Achab reed statig en op zijn gemak in zijn wagen, vers 45. Elia loopt te voet voor hem heen. Indien Achab aan Elia de eerbied had betoond, die hij verdiende, hij zou hem in zijn wagen meegenomen hebben, zoals de kamerling Filippus bij zich in de wagen genomen heeft, ten einde hem te eren voor de oudsten van Israël, en verder met hem te beraadslagen over de hervorming van het rijk, maar zijn bederf hield de overhand over zijn overtuiging, en hij was blij van hem af te zijn, zoals Felix van Paulus, toen hij hem wegzond en zijn gesprek met hem uitstelde, totdat hij meer gelegen tijd zou bekomen hebben. Daar Achab hem echter niet uitnodigt om mee te rijden, zal hij voor zijn aangezicht heen lopen, vers 46, als een van zijn dienaren, opdat hij zich niet zou schijnen te verheffen door de grote eer, die God hem heeft aangedaan, of te verminderen in burgerlijke beleefdheid jegens zijn vorst, hoewel hij hem getrouw heeft bestraft. Gods dienstknechten moeten doen blijken dat, hoe groots een aanzien zij ook hebben, als zij Gods boodschappen overbrengen, het toch verre van hen is, om groot te willen zijn naar de wereld, dat moeten zij aan de koningen van de aarde overlaten.