1 Koningen 17:17-24
Wij hebben hier nog een andere beloning, aan de weduwe geschonken voor de vriendelijkheid, die zij aan de profeet had bewezen, alsof het een kleine zaak was in het leven behouden te zijn, wordt haar zoon, nadat hij gestorven is, in het leven teruggeroepen, en alzo aan haar weer gegeven. Let op:
I. De ziekte en de dood van het kind. Voor zover blijkt was hij haar enige zoon, de troost van haar weduwstaat. Hij werd wonderdadig gevoed, maar dit heeft hem toch niet gevrijwaard tegen ziekte en dood. "Uw vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven,' maar er is brood waarvan de mens eet en niet sterft, dat gegeven is voor het leven van de wereld, Johannes 6:49-50. Deze beproeving was voor de weduwe als een doorn in het vlees, opdat zij zich niet bovenmate zou verheffen door de gunsten, die haar betoond werden, en de eer, die haar was aangedaan.
1. Zij was een verzorgster van een groot profeet, werd gebruikt om hem te onderhouden en had sterke redenen om te geloven dat de Heere haar goed zou doen, en toch verliest zij nu haar kind. Wij moeten het niet vreemd vinden dat wij scherpe, zware beproevingen hebben, zelfs als wij ons op de weg van de plicht bevinden, en uitnemend zijn in dienst aan God.
2. Zij werd zelf wonderdadig verzorgd, en hield een goed huis zonder last of zorg, door een onderscheidende zegen van de hemel, en temidden van dat alles, wordt zij aldus beproefd. Als wij de duidelijkste bewijzen hebben van Gods gunst en welbehagen in ons zo moeten wij ons ook dan bereiden op de bestraffingen van Gods voorzienigheid. Onze berg staat nooit zo vast, of hij kan wankelen, en daarom moeten wij ons in deze wereld altijd verheugen met beving.
II. Haar aandoenlijke klacht bij de profeet onder deze beproeving. Het kind schijnt plotseling te zijn gestorven, want anders zou zij zich tot Elia gewend hebben terwijl hij ziek was om hem te genezen. Maar gestorven zijnde, gestorven op haar schoot, klaagt zij er over bij de profeet, geeft zij uiting aan haar smart veeleer dan hoop te hebben op uitkomst, vers 18.
1. Zij drukt zich hartstochtelijk uit: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods. Met welk een kalmte had zij gesproken van de dood van zichzelf en van haar kind, toen zij dacht van honger te zullen sterven, vers 12, dat wij het eten en sterven! Maar nu haar kind sterft, ofschoon niet op zo ellendige wijze als van honger, is zij er ten zeerste door ontroerd. Wij kunnen wel licht spreken van een ramp of een beproeving, die nog verre is, maar "raakt het tot ons, dan worden wij beroerd," Job 4:5. Toen sprak zij bedaard, nu in haast, de dood van het kind is haar nu een verrassing, zij was er niet op bereid, en het is moeilijk voor ons om kalm van gemoed te blijven, als het verdriet of de ramp ons plotseling overvalt temidden van onze vrede en voorspoed. Zij noemt hem een man Gods, en toch twist zij met hem, alsof hij de dood van het kind had veroorzaakt, en zij wenst bijna hem nooit gezien te hebben, de ontvangen zegeningen en wonderen voorbijziende, of vergetende. "Wat heb ik u gedaan?" Zo verstaan sommigen het: "waarin heb ik u beledigd, of ben ik tekort gekomen in mijn plicht? Doe mij weten waarover gij met mij twist."
2. Toch drukt zij zich ook boetvaardig uit: "Zijt gij bij mij ingekomen om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, als de oorzaak van de beproeving, en haar aldus in mijn gedachtenis te brengen als de uitwerking er van?" Misschien wist zij van Elia's gebed tegen Israël en zichzelf bewust zijnde van zonde, haar vroeger aanbidden misschien van Baäl, de god van de Zidoniërs, vreest zij dat hij tegen haar gebeden heeft. Als God wat ons lieflijk is van ons wegneemt dan gedenkt Hij onze zonde tegen ons, de ongerechtigheden van onze jeugd misschien, hoewel lang geleden, Job 13:26. Onze zonden zijn de dood van onze kinderen. Wanneer God aldus onze zonden tegen ons gedenkt, bedoelt Hij hiermede onszelf ze te doen gedenken, om er berouw van te hebben en er ons van te bekeren.
III. Het gebed van de profeet tot God bij deze gelegenheid. Hij gaf haar geen antwoord op haar beklag, maar bracht het tot God, en legde Hem de zaak voor, daar hijzelf niet wist wat er van te zeggen. Hij nam het dode kind van de schoot van zijn moeder en bracht het naar boven naar zijn eigen bed, vers 19. Waarschijnlijk had hij een bijzondere genegenheid voor het kind opgevat, en gevoelde hij de beproeving als zijn eigen beproeving, meer dan door bloot medelijden. Hij trok zich terug in zijn kamer, en:
1. Spreekt op nederige wijze met God over de dood van dit kind, vers 20. Hij ziet de dood, slaande in opdracht van God: Hebt Gij dan ook deze weduwe zo kwalijk gedaan, immers is er een kwaad van die soort in de stad, in het gezin, dat de Heere niet doet? Hij wijst op het zware van de beproeving voor de arme moeder, "Het is een kwaad voor de weduwe, Gij zijt de God van de weduwen, en brengt gewoonlijk geen kwaad over weduwen, het is een beproeving, die aan de reeds beproefde nog toegevoegd is." Hij wijst op zijn eigen belang bij de zaak: "Het is de weduwe bij dewelke ik herberg, zult Gij, die mijn God zijt, kwalijk doen bij een van mijn beste weldoensters? Er zal kwaad van mij gesproken worden, en anderen zullen bevreesd zijn mij gastvrijheid te verlenen, indien ik de dood breng in het huis waarin ik kom."
2. Hij bidt God vurig om het kind weer in het leven terug te brengen, vers 21. Vóór dit geval hebben wij niet gelezen van iemand, die uit de dood tot het leven teruggebracht werd, maar door Goddelijke aandrift bezield bidt Elia om de opstanding van dit kind, hetgeen ons toch niet machtigt om hetzelfde te doen. David heeft niet verwacht zijn kind door bidden en vasten terug te brengen tot het leven 2 Samuël 12:33, maar Elia had een macht om wonderen te werken, die David niet had. Hij strekte zich uit over het kind, om te tonen hoe diep hij getroffen was door het geval, en hoe vurig hij wenste dat het kind tot het leven terug zou komen. Indien hij het kon, zou hij hem met zijn eigen adem en warmte leven willen inblazen, en ook om een teken te geven van hetgeen God zou doen door Zijn macht en doet in Zijn genade door dode zielen op te wekken tot een geestelijk leven, de Heilige Geest komt tot hen, overschaduwt hen en brengt leven in hen. Hij is zeer nauwkeurig in zijn gebed: laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen, hetgeen duidelijk het bestaan van de ziel veronderstelt in een staat van afscheiding van het lichaam, en bijgevolg haar onsterfelijkheid, waarvan, naar Hugo de Groot denkt, God door dit wonder een wenk, een aanduiding, een bewijs wilde geven ter bemoediging van Zijn lijdend volk.
IV. De opstanding van het kind en de grote voldoening, die dit gaf aan de moeder, de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd, vers 22. Zie de kracht van het gebed, en de macht van Hem, die het gebed hoort, die doodt en levend maakt. Elia bracht het aan zijn moeder, die, naar wij kunnen veronderstellen, nauwelijks haar eigen ogen kon geloven en daarom verzekert Elia haar, dat het haar eigen kind is. Zie, uw zoon leeft, zie het is uw eigen zoon, en geen ander, vers 23. Nu weet ik, riep toen de vrouw, dat gij een man Gods zijt. Zij wist het tevoren door de toeneming van haar meel en haar olie, maar de dood van haar kind heeft haar zo ontstemd, dat zij er aan begon te twijfelen-een goed man zou haar toch zo niet behandelen! -maar nu was zij er ten volle van overtuigd, dat hij beide de macht en de goedheid had van een man Gods, en zij zal er nooit meer aan twijfelen, maar zich laten leiden door zijn woord, en zich wenden tot de aanbidding van de God Israëls. Aldus was de dood van dit kind, evenals die van Lazarus, Johannes 11:4, ter heerlijkheid Gods, en tot eer van Zijn profeet.