Richteren 2:1-5
Het was het voorrecht van Israël, dat zij niet slechts een wet hadden in het algemeen, hun eens voor altijd van de hemel gezonden om hen te leiden op de weg naar vrede en geluk en er hen op te houden, maar dat hun ook bijzondere boodschappen van de hemel werden gezonden, naar het nodig was tot bestraffing tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, als zij te eniger tijd afweken van die weg. Behalve het geschreven woord dat zij voor zich hadden om te lezen, "hoorden zij nog dikwijls het woord desgenen, die achter hen was zeggende: Dit is de weg, wandelt daarop." Jesaja 30:21. Hier begint de weg van Gods handelingen met hen. Als zij Mozes niet willen horen, zo laat hen beproefd worden of zij de profeten willen horen. In deze verzen hebben wij een zeer hartontdekkende prediking die tot hen gericht werd, toen zij koel en koud begonnen te worden in de Godsdienst.
I. De prediker was een engel des Heeren, vers 1, geen profeet, niet Pinehas, zoals de Joden wanen. Evangeliedienaren worden wel "de engelen van de gemeente" genoemd, maar de OudTestamentische profeten worden nooit engelen des Heeren genoemd. Ongetwijfeld was dit een boodschapper van de hemel. Soms bevinden. wij in dit boek dat zulke buitengewone boodschappers gebruikt werden voor het verwekken van de richteren, die Israël verlost hebben, zoals Gideon en Simson, en om te tonen hoe onderscheiden de goede diensten zijn, die zij, aan Gods Israël bewijzen, wordt hier nu één gezonden om voor hen te prediken, teneinde te voorkomen dat zij in zonde vallen, en dientengevolge in moeite en benauwdheid. Deze buitengewone boodschapper was gezonden om zo mogelijk te bewerken, dat zij temeer acht zullen slaan op de boodschap, die tot hen komt en indruk te maken op het gemoed van een volk, dat door niets bewogen scheen te kunnen worden dan door hetgeen zichtbaar en tastbaar was. De geleerde bisschop Patrick is bepaald van mening, dat dit geen geschapen engel was, maar de Engel des verbonds, dezelfde die aan Jozua was verschenen als Vorst van het heir des Heeren, die God zelf was. Christus zelf, zegt Dr. Lightfoot, want wie anders dan God en Christus kon zeggen: "Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd?" Jozua had hen kort geleden vermaand om zich te wachten van zich door de Kanaänieten te laten verstrikken, maar zij gaven geen acht op de woorden van een stervende, daarom wordt hun nu dezelfde waarschuwing gebracht door de levenden God zelf, de Zoon van God, verschijnende in de gedaante van een engel. Als zij geen achtslaan op Zijn dienstknechten, dan voorzeker zullen zij toch eerbied hebben voor Zijn Zoon. Deze engel des Heeren wordt gezegd opwaarts gekomen te zijn van Gilgal, misschien niet lopende op de aarde, maar snellijk gevlogen, zoals de engel Gabriel tot Daniël kwam gevlogen in het open firmament des hemels. Maar, lopende of vliegende, hij schijnt om een bijzondere reden, van Gilgal te zijn gekomen. Gilgal is gedurende lange tijd hun hoofdkwartier geweest toen zij in Kanaän kwamen, menige uitnemende gunst hadden zij daar van God ontvangen, en daar is het verbond van de besnijdenis vernieuwd, Micha 6:5, en aan dat alles moesten zij door zijn komst van Gilgal herinnerd worden. De herinnering aan `hetgeen wij ontvangen en gehoord hebben" zal ons bereiden om het te bewaren. Openbaring 3:2, 3.
II. De personen voor wie de prediking gehouden werd: alle kinderen Israëls, vers 4. Een groot gehoor voor een groot prediker! Zij waren bijeenvergaderd hetzij voor strijd, iedere stam zijn krijgsmacht zendende voor de een of andere gewichtige expeditie, of liever ter Godsverering, en dan moet de plaats van hun bijeenkomst Silo geweest zijn, waar de tabernakel was, en waar zij allen driemaal in het jaar bijeen moesten komen. Als wij tot God gaan in Zijn inzettingen, dan kunnen wij verwachten van Hem te zullen horen, en Zijn gaven te ontvangen aan Zijn eigen poorten. De plaats wordt Bochim genoemd, vers 1, omdat zij die naam bij deze gelegenheid verkregen heeft. Gans Israël had de waarschuwing en bestraffing nodig, die hier gegeven zijn en daarom worden zij ook tot hen allen gericht.
III. De rede zelf is hard maar zeer krachtig. God zegt hun hier zeer duidelijk:
1. Wat Hij voor hen gedaan heeft, vers 1. Hij had hen uitgevoerd uit Egypte, een land van slavernij en zwoegen, en gebracht naar Kanaän, een land van rust, vrijheid en overvloed. De rampen en ellende van het een dienden om het geluk en de lieflijkheid van het andere te doen uitkomen. God was hierin goedertieren over hen geweest, getrouw aan de eed, die Hij aan hun vaderen had gezworen, had hun zulke blijken gegeven van Zijn macht, dat zij niet te verontschuldigen waren zo zij haar mistrouwden, hen zó verbonden aan Zijn dienst, dat zij niet te verontschuldigen waren zo zij hem verlieten.
2. Wat Hij hun beloofd had: Ik heb gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken. Toen Hij hen aannam als Zijn bijzonder volk, was het niet met de bedoeling om hen weer te verstoten of hen te verruilen voor een ander volk, Iaat hen slechts getrouw zijn aan Hem, dan zullen zij Hem onveranderlijk vinden voor hen. Hij zei hun duidelijk dat het verbond, hetwelk Hij met hen heeft aangegaan, nooit verbroken zou worden, tenzij het van hun kant werd verbroken.
3. Wat Zijn rechtvaardige en billijke verwachtingen van hen waren, vers 2. Dat zij, in verbond zijnde met Hem, geen verbond zouden aangaan met de Kanaänieten, die zowel Zijn als hun vijanden waren. Dat zij, Zijn altaar opgericht hebbende, hun altaren zouden verbreken, opdat deze geen verzoeking voor hen zouden zijn om hun goden te dienen. Kon nu iets gevraagd of geëist worden, dat gemakkelijker was?
4. Hoe zij juist in deze zaak, waarop Hij het meest had aangedrongen, Hem ongehoorzaam zijn geweest. Maar in deze zo kleine zaak zijt gij aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest." In minachting van hun verbond met God en hun onderling verenigd zijn in dat verbond, hebben zij vriendschapsverbonden gesloten met de afgodische, ten vloek gewijde Kanaänieten, hun altaren ongemoeid gelaten hoewel zij in mededinging met het altaar Gods waren opgericht. "Waarom hebt gij dit gedaan? Welke rekenschap kunt gij geven van deze verkeerdheid? Welke verontschuldiging kunt gij inbrengen voor uw gedrag hierin?" Zij, die hun gemeenschap met God verbreken en gemeenschap oefenen met de onvruchtbare werken van de duisternis, weten niet wat zij nu doen, en zullen niets tot hun verontschuldiging kunnen inbrengen, als hun weldra rekenschap van hun doen zal afgeëist worden.
5. Dat zij moeten verwachten weldra voor deze hun dwaasheid te zullen lijden, vers 3. Hun dulden van de Kanaänieten in hun midden zal:
a. Een einde maken aan hun overwinningen. "Gij wilt hen niet uitdrijven", zegt God, "en daarom zal Ik het niet doen", alzo zal hun zonde hun straf zijn. Aldus zullen zij, die toegeven aan hun zondige lusten, die zij behoren te doden, de genade Gods verbeuren, welke hun dan rechtvaardiglijk wordt onthouden. Als wij de duivel niet weerstaan, dan kunnen wij niet verwachten dat God hem onder onze voeten zal verpletteren. b. Het zal hen in voortdurende moeilijkheden wikkelen. "Zij zullen doornen in uw zijden zijn, om u te steken, waar gij u keert of wendt, u altijd het een of ander kwaad berokkenende". Diegenen bedriegen zich, die van vriendschap met hen die vijanden van God zijn, voordeel voor zichzelf verwachten.
c. Het zal hen (en dit was het ergste van alles) voortdurend blootstellen aan verzoeking. en hen tot zonde brengen. "hun goden" (hun verfoeiselen, zegt de Chaldeër) "zullen u tot een strik zijn, waarin gij u ellendig verward zult vinden in genegenheid voor hen, en het zal uw verderf wezen", zo lezen sommigen deze volzin. Zij die tot de zonde naderen, worden met recht aan zichzelf overgelaten, om in de zonde te vallen en er in om te komen. God maakt dikwijls van de mensen zonde tot hun straf, en doornen en strikken zijn in de weg des verkeerden, die in tegenheid wil wandelen met God.
IV. De goede uitwerking dier prediking is zeer merkwaardig-het volk hief zijn stem op en weende, vers 4.
1. De engel had hun hun zonde voorgehouden, en zij hebben er aldus hun droefheid over te kennen gegeven. Zij hieven hun stem op in belijdenis van zonde, wee roepende over hun eigen dwaasheid en ondankbaarheid, zij weenden in schaamte en toorn over henzelf omdat zij in zo lijnrechten strijd gehandeld hebben met hun gezond verstand en hun belang.
2. De engel had hen gedreigd met de oordelen Gods, en op die wijze drukten zij hun vrees daarvoor uit, zij hieven hun stem op in gebed tot God, om Zijn toorn van hen af te wenden, en zij weenden van vrees voor die toorn. Toen zij aldus opgeschrikt waren, werden zij bewogen, hun hart versmolt in hun binnenste, zij beefden voor het woord, en niet zonder reden. Dit was goed, het was een teken dat het woord, hetwelk zij gehoord hadden, indruk op hen had gemaakt. Het is een wonder, dat zondaren hun Bijbel met droge ogen kunnen lezen. Maar dit was niet genoeg, zij weenden, maar wij bevinden niet dat zij zich verbeterden, dat zij naar huis gingen en al de overblijfselen van afgoderij en afgodendienaars hebben vernietigd, die er nog onder hen gevonden waren. Velen worden vertederd onder het woord, die zich toch weer verharden, eer zij in een nieuwe vorm worden gegoten, dat is eer zij veranderd worden door de vernieuwing van hun gemoed. Dit algemene wenen gaf een nieuwe naam aan de plaats, vers 5, zij noemden haar Bochim, Weners, een goede naam, waaraan onze Godsdienstige bijeenkomsten behoren te beantwoorden. Indien zij zich dicht aan God en hun plicht hadden gehouden, er zou in hun vergadering geen andere stem dan die van zangers zijn gehoord, maar door hun zonde en dwaasheid hadden zij zich wat anders te doen gegeven, en nu werd er geen andere stem dan die van het gehuil gehoord.
b. Het gaf aanleiding tot een plechtige offerande, zij offerden aldaar de Heere, daar zij (gelijk verondersteld is) te Silo waren bijeengekomen, waar Gods altaar was. Zij offerden brandoffers om des Heeren toorn af te wenden Zijn gunst te verkrijgen, en ten teken, dat zij zich toewijdden aan Hem, en aan Hem alleen maakten zij door deze offerande een verbond. Daar de ziekte alzo intijds werd tegengegaan, en het toegediende geneesmiddel zo goed werkte, zou men gehoopt hebben dat er een volkomen genezing tot stand zou komen. Maar uit het vervolg van de geschiedenis blijkt dat die ziekte te diep was ingeworteld om uitgeweend te kunnen worden.