Richteren 18:14-26
De Danieten hadden verspieders uitgezonden om een land voor hen te vinden, en zij slaagden in hun onderzoek, maar nu zij tot deze plaats kwamen (want, eer die plaats het hun in de gedachte bracht, schijnen zij het hun broederen niet te hebben meegedeeld) verplichtten zij hen met nog een andere ontdekking, namelijk dat zij hun zeggen kunnen waar goden te vinden zijn. "Hier, in deze huizen, zijn een efod, en serafim en zeer veel fraaie zaken ter bevordering van vroomheid, zoals wij ze in ons land niet hebben, zo weet nu wat u te doen zij, vers 14. Wij hebben ze geraadpleegd, en ontvingen een gunstig antwoord, zij zijn de moeite waard om ze te hebben, ja waard om ze te stelen (dat is ze te hebben op de ergste manier) en zo wij ons slechts van deze goden meester kunnen maken, dan kunnen wij nog een betere hoop koesteren van voorspoedig te zijn en ons meester te maken van Laïs. Zij hadden inzover gelijk, dat het begerenswaardig voor hen was Gods tegenwoordigheid te hebben, maar in ellendige dwaling verkeerden zij, door deze beelden voor tekenen te houden van Gods tegenwoordigheid, die beter geschikt waren voor een poppenspel, dan om ter Godsverering te worden gebruikt. Zij dachten dat een orakel goed gezelschap voor hen zou zijn bij hun onderneming, en hun bij voorkomende moeilijkheden in de plaats kon wezen van een krijgsraad, en daar de plaats, waar zij zich gingen vestigen, zo ver was van Silo, dachten zij een godenhuis meer nodig te hebben dan Micha, die zo dicht bij Silo woonde. Zij zouden een even goede efod en serafim hebben kunnen maken als deze waren, die aan hun doel evengoed beantwoord zouden hebben, maar de roem, die er van deze al was uitgegaan-hoewel nog slechts sedert kort-boezemde er hun een verwonderlijker eerbied voor in, die zij echter wel spoedig verloren zouden hebben, indien zij verstand genoeg hadden gehad om eens een onderzoek in te stellen naar de oorsprong er van, en of er iets Goddelijks was in deze instelling.
Besloten zijnde om deze goden mee te nemen, wordt ons hier verhaald hoe zij de beelden gestolen hebben, de priester vleiden, en Micha zoveel vrees aanjoegen, dat hij van verdere pogingen, om ze terug te krijgen, afzag.
I.De vijf mannen, die het huis, en de toegangen er van kenden, en inzonderheid de vertrekken, waarin de godsdienstoefeningen gehouden werden, gingen naar binnen en haalden de beelden met de efod en de serafim en alles wat er bij behoorde, terwijl de zes honderd mannen de priester aan de praat hielden aan poort, vers 16-18. Zie hoe weinig zorg deze armzalige priester droeg voor zijn goden, terwijl hij rondslenterde aan de poort en de vreemdelingen aanstaarde, werd zijn schat (zoals die dan was) weggenomen. Zie hoe onmachtig deze armzalige goden waren, die er zich niet voor konden behoeden om gestolen te worden. Er wordt als een versmaadheid voor de afgoden melding van gemaakt, dat zij zelf in de gevangenis zijn gegaan, Jesaja 46:2. O, hoe groot is de domheid van deze Danieten! Hoe konden zij denken dat deze goden hen zouden beschermen, die er zichzelf niet tegen konden beschermen om gestolen te worden? Maar, daar zij goden genoemd werden-alsof het niet genoeg was dat de tegenwoordigheid van de onzichtbare God met hen was. of dat zij in betrekking stonden met de tabernakel, waar zelfs zichtbare tekenen waren van Zijn tegenwoordigheid-kunnen zij niet tevreden zijn, of zij moeten goden hebben, die voor hun aangezicht heengaan, wel geen goden die zij zelf gemaakt hebben, maar, hetgeen even slecht was, goden die zij zelf gestolen hebben. Hun afgoderij begon in diefstal, een gepaste inleiding voor zo'n werk. Om het tweede gebod te kunnen overtreden beginnen zij met de overtreding van het achtste, stelen goed van hun naaste om er goden van te maken. De heilige God haat de roof in het brandoffer, maar de duivel bemint hem. Hadden deze Danieten de beelden genomen om ze te schenden en te vernielen, en de priester om hem te straffen, zij zouden gehandeld hebben als ware Israëlieten en ijverig zijn geweest voor hun God, zoals hun vaderen, Jozua 22:16, s maar ze te nemen voor hun eigen gebruik was zo'n samengestelde misdaad, dat er uit bleek dat zij God niet vreesden en geen mens ontzagen maar van alle Godsvrucht en eerlijkheid geheel ontbloot waren.
II. Zij wendden zich tot de priester en brachten hem door vleierij in een goed humeur en bewogen hem aldus, niet alleen om de goden prijs te geven, maar om zelf met hen mee te gaan, want zonder hem wisten zij niet goed hoe van hun goden gebruik te maken.
Merk op:
1. Hoe zij hem verleidden, vers 19. Zij verzekerden hem een betere bevordering dan die hij nu had. Het zou meer eervol en meer voordelig voor hem wezen om priester te zijn van een gehele groep- meer waren zij niet, al noemden zij zich ook een stam-dan slechts de huiskapelaan te wezen van een particulier. Laat hem met hen gaan, en er zullen meer offers gebracht worden op zijn altaar, en meer geld ontvangen voor het raadplegen van zijn serafim, dan hij hier had.
2. Hoe zij hem wonnen. Een weinig overredens was genoeg, zijn hart werd vrolijk, vers 20. Het voorstel kwam goed overeen met zijn zwerfzieke aard, die hem nooit lang aan een plaats liet blijven, en streelde zijn eerzucht en geldgierigheid. Hij kan niet anders zeggen, dan dat hij het goed had waar hij nu was. Micha had hem niet bedrogen, noch zijn loon veranderd, hij had geen berouw, geen gewetenswroeging wegens zijn dienst doen bij een gesneden beeld, indien hij naar Silo was gegaan om de priesters des Heeren te dienen overeenkomstig de plicht van een Leviet, hij zou er welkom hebben kunnen wezen, Deuteronomium 18:6, en dan zou zijn heengaan loffelijk zijn geweest, maar, inplaats hiervan neemt hij de beelden mede, en brengt de besmetting van de afgoderij in de hele stad. Het zou zeer onrechtvaardig en ondankbaar geweest zijn tegenover Micha, indien hij alleen zelf was heengegaan, en nog veel meer om de beelden mee te nemen, waarop, naar hij wist, Micha's hart zozeer gesteld was. Maar er was niets beters te verwachten van een verraderlijker Leviet, welk huis kan zeker zijn van hem die het huls Gods heeft verlaten? Of aan welke vriend zal hij trouw zijn, die ontrouw is geweest aan zijn God? Hij kon niet voorwenden dat hij gedwongen werd, want zijn hart was vrolijk, hij was blij te gaan. Indien tien zilverlingen hem wonnen (zoals bisschop Hall het uitdrukt) dan zouden elf hem verliezen, want wat is instaat hen te houden, die een zuiver geweten verloren hebben? De huurling vliedt, omdat hij een huurling is. De priester met zijn goden ging in het midden van het volk, daar plaatsten zij hem om zeker van hem te zijn, en hem te beletten om terug te gaan, indien hij soms van zin mocht veranderen, of om door Micha teruggehaald te worden, of misschien in navolging van de orde van Israëls tocht door de woestijn waarbij de ark en de priesters in het midden van het leger waren.
III. Zij verschrikten Micha, toen hij hen vervolgde om zijn goden terug te krijgen, zo dat hij terugkeerde. Zodra hij bemerkte dat zijn bedehuis geplunderd, en zijn priester van hem weggelopen was, verzamelde hij al de lieden, die hij kon bereiken, om de rovers te vervolgen, vers 22. Zijn naburen, en misschien zijn onderhorigen, die zich met hem verenigden in zijn godsdienstoefeningen, waren ijverig om hem bij te staan, zij kwamen bijeen en vervolgden de rovers, die, hun kinderen en hun vee voor zich hebbende, vers 21, niet zó snel voort konden gaan, of zij konden hen achterhalen, hopende, dat zij door kracht van redenen het gestolene terug zouden erlangen, want de onevenredigheid van hun getalssterkte was zo groot, dat zij niet konden hopen om het door de kracht van hun armen terug te krijgen. De vervolgers riepen hen na, verlangende om een woord met hen te spreken. Zij, die de achterhoede vormden (waarschijnlijk hadden zij daar de sterksten van hun gezelschap geplaatst, wèl verwachtende aangevallen te zullen worden) keerden zich om, en vroegen Micha wat hem deerde, daar hij zo bekommerd was, en wat hij van hen wilde, vers 23. Hij redeneert met hen, en wijst hun op zijn recht, denkende dat dit bij hen zal overmogen, maar in antwoord hierop wijzen zij hem op hun macht, en het bleek dat dit bij hem overmocht, want het is iets gewoons, dat bij de mensen macht boven recht gaat.
1. Hij wijst op het onrecht, dat hem toch ongetwijfeld was, aangedaan, vers 24. "Gij hebt mijn goden weggenomen, mijn beelden van God, waar ik zo'n onbetwistbaar recht op heb, want ik heb ze zelf gemaakt, en voor welke ik zoveel liefde heb, dat het met mij gedaan is zo ik ze verlies, want wat heb ik nu meer, dat mij enig goed kan doen, indien deze weg zijn?
a.Nu ontdekken wij de dwaasheid van afgodendienaars en de macht, die Satan over hen heeft. Hoe dwaas was het van hem om dingen, die hij zelf gemaakt had, goden te noemen, als toch Hij alleen door ons als God aangebeden moet worden, die ons gemaakt heeft! Dwaas, voorwaar, om zijn hart op zulke nietige, domme dingen te zetten, en zich als ongelukkig en geheel verloren te beschouwen nu hij ze verloren heeft!
b. Dit kan ons onze geestelijke afgoderij ontdekken, het schepsel, waarvan wij ons geluk afhankelijk maken, waar wij op ongeregelde wijze onze genegenheid op stellen, en waarvan wij niet kunnen scheiden, waarvan wij zeggen, als wij het verliezen: Wat heb ik nu meer? Van dat schepsel maken wij een afgod. Dat wordt in de plaats gesteld van God, en dat is een overweldiger, waar wij bekommerd om zijn, alsof ons leven en onze vertroosting, onze hoop en ons geluk, ons alles, daarin opgesloten, daaraan verbonden waren. Maar,
c. Indien alle volken aldus zullen wandelen, een ieder in de naam van zijn God, zullen wij dan niet evenzo gezind zijn jegens onze God, de ware God? Laat ons ons deel hebben in God, onze gemeenschap met Hem, het grootste en rijkste deel achten, dat ons te beurt kan vallen. en het verlies van God als het zwaarste verlies, dat ons kan treffen, wee ons, zo Hij van ons wijkt, want wat hebben wij dan meer? Zulke verlaten zielen kunnen zich wel verwonderen, zoals Micha zich verwonderd heeft, dat gij nog zoudt vragen, wat hun is, wat hun deert? Want de tekenen van Gods gunst zijn weg, Zijn vertroostingen hun onthouden, en wat hebben zij meer?
2. Zij dreigen hem voorzeker kwaad te zullen doen, indien hij bij zijn eis blijft. Zij willen naar geen rede luisteren, hem geen recht doen, zij bieden hem zelfs niet aan hem het geld terug te geven, dat hij aan deze beelden te koste had gelegd, noch beloven vergoeding te doen voor wat zij genomen hadden, als zij het doel van hun expeditie bereikt zullen hebben en tijd zouden gevonden hebben om ze na te maken, en zelf andere dergelijke beelden te maken. En nog veel minder hadden zij enig medelijden met een verlies, dat hij zo bitter beweende, zij hadden zelfs geen goed of vriendelijk woord voor hem over, maar besluiten de diefstal door moord te rechtvaardigen, indien hij niet terstond afzag van zijn eis, vers 25. "Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien verbitterde mannen op u aanvallen, en gij uw leven verliest, en dat is erger dan uw goden te verliezen." Goddeloze en onredelijke mensen duiden het zeer ten kwade, als men hun vraagt recht te doen, en ondersteunen zich door hun macht tegen alle recht en rede. Micha's misdaad was dat hij zijn eigendom terugvroeg, en daarvoor is hij in gevaar zijn leven en het leven van zijn huis te verliezen. Micha heeft geen moed genoeg om zijn leven te wagen om zijn goden te redden, zó'n geringe dunk had hij van hun macht om hem te beschermen en door te helpen, en daarom geeft hij ze gedwee op, vers 26. Hij keerde zich om en kwam weer tot zijn huis. En zo het verlies van zijn afgoden hem slechts overtuigde (gelijk men zou denken dat het hem die overtuiging moest geven) van hun nietigheid en machteloosheid, en van zijn eigen dwaasheid om er zijn hart op te zetten, en hem terugbracht naar de ware God, van wie hij afvallig was geworden, dan zou hij, die ze verloor, er oneindig beter aan toe zijn geweest dan zij, die ze met geweld van wapens hadden weggevoerd. Indien het verlies van onze afgoden ons geneest van onze liefde tot hen, en ons doet zeggen: Wat hebben wij meer met de afgoden te doen? dan zal het verlies een onuitsprekelijk gewin zijn. Zie Jesaja 2:20, 30:22.