Richteren 16:22-31
Hoewel het laatste tijdperk van Simsons leven niet alleen roemloos, maar schandelijk was, en men zou kunnen wensen dat er een sluier over geworpen was, kan toch het bericht, dat hier van zijn dood wordt gegeven, wel de smaad niet geheel uitwissen, maar toch wel enigszins verminderen want er was eer in zijn dood. Ongetwijfeld heeft hij diep berouw gehad van zijn zonde, van de oneer, die hij er God mee aangedaan heeft, en van zijn verbeuren van de eer, die God op hem gelegd had, want dat God met hem verzoend was, blijkt:
1. In het terugkomen van het teken van zijn nazireërschap, vers 22, het haar op zijn hoofd begon weer te groeien, gelijk toen hij geschoren werd, dat is: het werd even dik en lang als toen het afgesneden werd. Het is waarschijnlijk dat hun algemene dankzegging aan Dagon niet lang uitgesteld was, eer Simsons haar weer gegroeid was, hieruit en vanwege de bijzondere nota, die er van genomen is, blijkt dat het iets buitengewoons was, en bedoeld als een bijzondere aanduiding van het wederkeren van Gods gunst over hem op zijn berouw. Want het groeien van zijn haar was noch de oorzaak, noch het teken van het weerkeren van zijn kracht, behalve in zoverre het het teken was van zijn wijding, en dat God hem, na deze onderbreking weer als nazireër heeft aangenomen, zonder de ceremoniën, die voor het herstel van een gevallen of verontreinigden nazireër voorgeschreven was, daar hij nu niet in de gelegenheid was om ze na te komen, Numeri 6:9. Het is vreemd dat de Filistijnen, in wier macht hij was, niet bevreesd waren voor het weer groeien van zijn haar en het niet hebben afgesneden, maar misschien wilden zij wel dat zijn kracht tot hem zou wederkeren, opdat zij zoveel te meer werk uit hem zouden krijgen, want nu hij blind was, vreesden zij geen kwaad van hem.
2. In het gebruik, dat God van hem maakte tot verderf van de vijanden van zijn volk, en dat wel op een tijd wanneer dit het meest tot eer van God zou zijn en ter handhaving er van, en niet onmiddellijk tot bescherming en verlossing van Israël.
Merk op:
I. Op hoe onbeschaamde wijze de Filistijnen de God Israëls beledigden.
1. Door de offeranden, die zij offerden aan Dagon. Dezen Dagon noemden zij hun god, een god van hun eigen maaksel, voorgesteld door een beeld, welks boveneinde de gedaante had van een man, het benedeneinde die van een vis, zuiver en alleen een schepsel van hun verbeelding, en toch richtten zij het op in tegenover de ware en levende God. Aan die voorgewende godheid schreven zij hun succes toe, vers 23, 24. Onze god heeft in onze handen gegeven onze vijand, en die ons land verwoestte. Dat verbeeldden zij zich, hoewel hij goed noch kwaad kon doen. Zij wisten dat Delila hem had verraden, en zij hadden haar er voor betaald, toch schrijven zij het toe aan hun god, en zijn er door bevestigd in hun geloof aan zijn macht om hen te beschermen. Zo zullen alle volken wandelen, elk in de naam van zijn god, zij zullen hun de lof geven van hun krijgsverrichtingen, en zullen wij dan deze hulde niet brengen aan onze God, wie koninkrijk over allen is? Maar in aanmerking genomen de goddeloze listen, die zij gebruikten om Simson in hun handen te krijgen, moet erkend worden, dat alleen zo'n drekgod als Dagon was, geschikt was om tot beschermer van hun schurkerij gemaakt te worden. Op die algemene dankdag werden offeranden geofferd en lofliederen gezongen voor de overwinning, die zij op een man verkregen hadden, er waren grote uitdrukkingen van vreugde, en alles ter ere van Dagon. Veel meer reden hebben wij om God de lof te geven van al onze voorspoed: Gode zij dank, die ons allen tijd doet triomferen in Christus!
2. Door het spel, dat zij maakten van Simson, Gods kampioen, hebben zij God zelf gesmaad. Toen zij vrolijk waren van de wijn, moest om hen nog vrolijker te maken, Simson gehaald worden om voor hen te spelen, vers 25-27, dat is: om door hen bespot te worden. zij hadden aan hun god geofferd, hadden gegeten en gedronken, en nu stonden zij op om te spelen, zoals het het gebruik is bij afgodendienaars, 1 Corinthiers 10:7, en Simson moet de nar zijn van het spel. Zij maakten zichzelf en elkaar aan het lachen, als zij zagen hoe hij, blind zijnde, struikelde en in het blinde rondtastte. Waarschijnlijk hebben zij deze richter van Israël "met de roede op het kinnebakken geslagen," Micha 4:14, en gezegd: "Profeteer, wie is het, die u geslagen heeft?" Het was een voorbeeld van hun wreedheid om aldus een man in zijn ongeluk te vertreden, op wiens aanblik zij kort tevoren gebeefd zouden hebben. Het bracht Simson in de diepte van de ellende, en hun smaadredenen waren als een zwaard in zijn gebeente, als zij zeiden: Waar is nu uw God? Niets kon smartelijker zijn voor zo groot een man, maar een boeteling zijnde, maakt dit hem geduldig, en neemt hij het aan als een straf voor zijn ongerechtigheid. Hoe onrechtvaardig de Filistijnen ook waren, hij moest erkennen dat God rechtvaardig was. Hij had zich vermaakt met zijn misleidingen en met hen, die hem misleidden, en rechtvaardiglijk zijn nu de Filistijnen op hem losgelaten, om zich met hem te vermaken. Onreinheid is een zonde, die de mensen verlaagt en hen aan verachting blootstelt, plaag en schande zal hij vinden, wiens hart door een vrouw wordt bedrogen, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. Eeuwige schande en verachting zal het deel wezen van hen, die door hun eigen lusten verblind en gebonden worden, de duivel, die hen bedrogen heeft, zal over hen juichen en triomferen.
II. Hoe rechtvaardig de God van Israël door de handen van Simson een plotselinge verwoesting over hen bracht. Duizenden van de Filistijnen waren samengekomen, om met hun vorsten deel te nemen aan de offeranden en de blijde feestviering van deze dag, en om de toeschouwers te zijn van deze comedie, die voor hen op een noodlottige tragedie uitliep, want allen werden zij gedood en onder de puinhopen begraven van het huis, of het een tempel of schouwburg, of misschien een licht gebouw was, dat voor dit doel was opgetrokken, is onzeker.
Merk op:
1. Wie daar verdelgd werden, alle vorsten van de Filistijnen, vers 27, die door steekpenningen Delila hadden omgekocht, om Simson aan hen te verraden en over te leveren. Het kwaad vervolgde deze zondaars. Ook waren er velen van het volk, tot een getal van drie duizend, en onder hen veel vrouwen, waarvan één waarschijnlijk de hoer van Gaza geweest is, vermeld in vers 1. Simson is door de Filistijnse vrouwen tot zonde verlokt, en nu wordt een grote slachting onder haar aangericht evenals op bevel van Mozes onder de Midianietische vrouwen, omdat zij het waren, "die de kinderen Israëls oorzaak tot overtreding tegen de Heere hadden gegeven in de zaak van Peor," Numeri 31:16.
2. Wanneer zij verdelgd werden,
a. Toen zij vrolijk waren, opgewekt en gerust, verre van te denken dat zij zich in enigerlei gevaar bevonden. Wij kunnen veronderstellen dat, toen zij Simson de pilaren zagen aangrijpen, ook dit hun tot vermaak diende: Wat doet deze amechtige Jood? Hoe worden de zondaren in een ogenblik ten verderve gebracht! Zij worden opgeheven in hoogmoed en vrolijkheid, opdat hun val zoveel dieper en verschrikkelijker zij. Laat ons nooit delen in de vrolijkheid van goddeloze mensen, maar uit dit voorbeeld zien dat hun triomferen van korte duur is, en hun blijdschap slechts een ogenblik is.
b. Het was, toen zij Dagon, hun god, loofden en hem de eer gaven, die alleen aan God toekomt, hetgeen niets minder is dan verraad jegens de Koning van de koningen, tegen Zijn kroon en Zijn waardigheid, terecht is dus het bloed van deze verraders met hun offeranden gemengd. Belsazar werd gedood toen hij de met mensenhanden gemaakte goden prees, Daniël 5:4.
c. Het was toen zij de spot dreven met een Israëliet, een nazireër, en over hem juichten, hem vervolgden, die God had geslagen. Er is niets dat de mate van de ongerechtigheid van een volk, of van een persoon, sneller vult dan het bespotten en mishandelen van de dienstknechten Gods, al is het ook dat deze door eigen schuld naar de diepte zijn gebracht. Zij weten niet wat zij doen, noch wie zij beledigen, die een Godvruchtig man bespotten.
3. Hoe zij verdelgd werden: Simson rukte het huis boven hun hoofden omver. Ongetwijfeld heeft God het hem, als publiek persoon, in het hart gegeven, om aldus Gods twist Israëls twist en zijn eigen twist aan hen te wreken.
A. De kracht er toe verkreeg hij op het gebed, vers 28. Die kracht, welke hij verloren had door de zonde, herwint hij, als een waar boetvaardige, op het gebed, zoals David, die, toen hij de Geest van de genade er toe gebracht had, om zich van hem terug te trekken, gebeden heeft: "Geef mij weer de vreugde Uws heirs, en de vrijmoedige geest ondersteune mij,' Psalm 51:14. Wij kunnen veronderstellen dat hij slechts innerlijk heeft gebeden, en dat zijn stem niet werd gehoord (want het werd gedaan in het midden van een luidruchtige, tierende menigte van Filistijnen), maar hoewel zijn stem niet door mensen werd gehoord, werd zijn gebed toch door God gehoord en genadiglijk verhoord, en hoewel hij niet is blijven leven om zelf een bericht te geven van dit zijn gebed, zoals Nehemia van het zijne heeft God het niet slechts aangenomen in de hemel, maar, door het aan de door Gods Geest gedreven schrijver te openbaren, er in voorzien dat het geregistreerd werd in Zijn kerk. Hij bad God hem te gedenken, en hem nog ditmaal te versterken, hiermede erkennende dat hij zijn kracht voor hetgeen hij reeds gedaan had, van God had, en nu vraagt hij dat zij hem nog eenmaal verleend moge worden, ten einde hun bij het scheiden nog een slag toe te brengen. Dat het niet was uit hartstocht, of begeerte naar persoonlijke wraak, maar uit heilige ijver voor de eer en heerlijkheid van de God van Israël, dat hij dit verlangde te doen, blijkt hieruit, dat God zijn gebed aangenomen en verhoord heeft. Simson is biddende gestorven, ook onze gezegende Heiland is biddende gestorven, maar Simson bad om wraak, Christus om vergeving voor Zijn vijanden.
B. Hij kreeg gelegenheid om dit te doen door te leunen tegen de twee pilaren, die de voornaamste steun waren van het huis, en die zo dicht bij elkaar geplaatst schenen te zijn dat hij ze beide tegelijk kon aangrijpen, vers 26, 29. Ze gegrepen hebbende, wierp hij ze neer met kracht, luid roepende: Mijn ziel sterve met de Filistijnen, vers 30. "Animamque in vulnere ponit-De wond toebrengende, sterft hij". De grote menigte van mensen, die op het dak waren, hebben, naar wij kunnen veronderstellen, bijgedragen tot de val er van. Een gewicht, groter dan het bestemd was te dragen, zou het vanzelf hebben kunnen doen instorten, het maakte tenminste de val noodlottiger voor hen, die binnen waren, en weinigen konden voorzeker er aan ontkomen om òf verstikt, òf verpletterd te worden. Dit werd gedaan, niet door de natuurlijke kracht van Simson, maar door de almachtige kracht van God, en is niet slechts verwonderlijk, maar wonderlijk in onze ogen.
a. De Filistijnen werd hierdoor een zware slag toegebracht. Al hun vorsten en grote mannen waren gedood, en ook zeer velen van het volk, en dat wel temidden van hun overwinningsfeest. De tempel van Dagon (velen zijn van mening, dat dit het huis was) was nedergeworpen, en Dagon er onder begraven. Dit was een grote beteugeling van de trotse onbeschaamdheid van de overlevenden, en, zo in Israël nog slechts zoveel verstand en moed was overgebleven om van het voordeel, dat deze gebeurtenis hun gaf, partij te trekken, dan zouden zij nu het juk van de Filistijnen hebben kunnen afschudden.
b. Simson kan zeer goed gerechtvaardigd worden in zijn daad en verklaard worden niet schuldig te zijn aan moord hetzij op hemzelf, of op de Filistijnen. Hij was een publiek persoon, een verklaard vijand van de Filistijnen, tegen wie hij dus van alle mogelijke voordelen gebruik mocht maken. Zij voerden nu een wrede, barbaarse oorlog tegen hem, allen, die daar tegenwoordig waren, deden hieraan mede, en rechtvaardiglijk stierven zij met hem. Ook heeft hij er geen zelfmoord mee gepleegd, want het was niet op zijn eigen leven, dat hij het toelegde, hoewel hij reden genoeg had om het moede te zijn, maar op het leven van Israëls vijanden, en om daartoe te komen, heeft hij het zijne kloekmoedig ten offer gebracht, het niet dierbaar houdende voor zichzelf, opdat hij zijn loop met ere zou volbrengen.
c. God werd grotelijks verheerlijkt door Simsons grote overtredingen te vergeven, waarvan dit het blijk en bewijs was. Men heeft gezegd dat de opdracht door een vorst gegeven aan een misdadiger gelijkstond aan diens begenadiging. Maar "hoewel Hij een vergevend God was, heeft Hij toch wraak gedaan over zijn daden," Psalm 99:8, en door Zijn kampioen in banden te laten sterven, heeft Hij allen gewaarschuwd om zich te hoeden voor die lusten en begeerlijkheden, die strijd voeren tegen de ziel. Wij hebben echter gegronde reden om te hopen dat Simson, hoewel hij stierf met de Filistijnen toch zijn eeuwig deel niet met hen gehad heeft. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.
d. Christus was duidelijk afgeschaduwd. Hij heeft het rijk van Satan nedergeworpen, zoals Simson Dagons tempel nedergeworpen heeft, en toen Hij stierf, heeft Hij de heerlijkste overwinning behaald over de machten van de duisternis. Toen Zijn armen uitgestrekt waren aan het kruis, zoals Simsons armen uitgestrekt waren naar de twee pilaren, heeft Hij een noodlottigen ruk gegeven aan de poorten van de hel en "door de dood teniet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel," Hebreeën 2:14, 15, en hierin heeft Hij Simson overtroffen, dat Hij niet alleen stierf met de Filistijnen, maar wederopgestaan is om over hen te triomferen.
Eindelijk. De geschiedenis van Simson besluit:
1. Met een bericht van zijn begrafenis. Aangemoedigd door het roemrijke van zijn dood kwamen zijn bloedverwanten om zijn lijk te zoeken onder de gedoden, zij brachten het met eerbetoon naar zijn eigen land en begroeven het in het graf van zijn vader, terwijl de Filistijnen nog in zo grote ontsteltenis verkeerden, dat zij er zich niet tegen durfden verzetten.
2. Met de herhaling van het bericht van de duur van zijn regering, dat wij tevoren reeds gehad hebben: hij nu had Israël gericht twintig jaar, en indien zij niet even laag en laf waren als hij kloekmoedig en ondernemend is geweest dan zou hij hen vrij van het juk van de Filistijnen hebben gelaten. Zij zouden gerust, veilig en gelukkig hebben kunnen zijn, indien zij slechts God en hun richter toegelaten hadden om hen dit te maken.