Richteren 15:9-17
I. Hier zien wij Simson heftig vervolgd door de Filistijnen. Zij gingen allen tezamen, een geduchter legermacht dan zij op de been hadden gebracht toen Simson hen geslagen had de schenkel en de heup, en zij legerden zich in Juda, en verspreidden zich door het land om Simson te zoeken, die, naar zij gehoord hadden, die kant was uitgegaan, vers 9. Toen de mannen van Juda, die zich gedwee aan hun juk hadden onderworpen, er op pleitten, dat zij hun schatting betaald hadden, en dat niemand uit hun stam iets tegen hen misdaan had, erkenden zij volmondig dat zij met hun inval niets anders op het oog hadden dan Simson gevangen te nemen, zij wilden strijden tegen klein noch groot, maar alleen tegen die richter van Israël, vers 10, om hem te doen gelijk als hij ons gedaan heeft, dat is: hem slaan, de schenkel en de heup, zoals hij ons de schenkel en de heup heeft geslagen, oog om oog Hier was een leger, opgetrokken tegen één enkele man, maar hij was in zijn persoon een leger. Zo werd een gehele bende van mannen uitgezonden om onze Heere Jezus, die gezegende Simson, te grijpen, hoewel een tiende deel volstaan zou hebben nu Zijn ure was gekomen, en tienmaal meer niets uitgericht zouden hebben indien Hij zich niet had overgegeven.
II. Simson laaghartig verraden en overgeleverd door de mannen van Juda, vers 11. Waren zij van Juda? Ontaarde loten van die kloekmoedige stam. Volstrekt onwaardig waren zij om in hun standaard de leeuw uit de stam van Juda te voeren. Misschien waren zij ontevreden over Simson, omdat hij niet van hun stam was, uit dwaze gehechtheid aan hun verbeurde voorrang wilden zij liever verdrukt worden door de Filistijnen, dan verlost worden door een Daniet. Door zulke naijver is de verlossing van de kerk dikwijls belemmerd geworden. Maar het was veeleer omdat zij bevreesd waren voor de Filistijnen, en hen tot elke prijs uit hun land wensten te zien. Indien hun moed niet volkomen terneergeslagen en verbroken was door hun zonden en hun benauwdheden, indien zij zich niet hadden overgegeven aan een geest van vadsigheid en sluimering, zij zouden deze gelegenheid hebben aangegrepen om zich het juk van de Filistijnen van de hals te schudden. Indien er het minste vonkje van verstand en kloekmoedigheid in hen was overgebleven, zij zouden, nu zij een dapper man als Simson hadden om hen aan te voeren stoutmoedig de strijd hebben aangebonden ter verkrijging van hun vrijheid, maar het is geen wonder dat zij, die zich tot de hel toe hadden verlaagd in de aanbidding van hun afgoden, Jesaja 57:9, zich aldus tot in het stof vernederden in onderworpenheid aan hun honende verdrukkers. De zonde ontmoedigt de mensen, ja zij verdwaast hen, en verbergt voor hun ogen de dingen, die tot hun vrede dienen. Simson is waarschijnlijk naar de grens van dat land gegaan, om zijn diensten aan te bieden, menende dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou, zoals Mozes dit gemeend heeft Handelingen 7:25. Maar zij verwierpen hem, en:
1. Laakten hem op ondankbare, onwaardige wijze wegens hetgeen hij gedaan had, alsof hij hun grote schade en verlies had toegebracht. Zo worden zij dikwijls met ondank beloond, die hun land de grootste en gewichtigste diensten hebben bewezen. Zo heeft onze Heere Jezus vele goede werken gedaan, en zij stonden gereed Hem er voor te stenigen.
2. Verzochten hem, dat hij zich door hen zou laten binden en aan de Filistijnen overleveren. Lafhartige, ondankbare ellendelingen! Zij beminden hun boeien en hadden hun dienstbaarheid lief! Zo hebben de Joden onze Zaligmaker overgeleverd onder voorwendsel van te vrezen, dat de Romeinen anders zouden komen en hun plaats en volk wegnemen. In welk een lage, slaafse gezindheid redeneren zij: Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersen? En wiens schuld was dat? Zij wisten dat de Filistijnen geen recht hadden om over hen te heersen, en zij zouden ook niet aan hen verkocht zijn, indien zij zich niet eerst zelf aan boosheden hadden verkocht.
III. Simson liet zich gedwee door zijn landgenoten binden, die hem toen aan zijn verwoede vijanden overleverden, vers 12, 13. Hoe gemakkelijk had hij hen van zich weg kunnen slaan, en de hoogte van zijn rots tegen deze drie duizend mannen kunnen verdedigen, en niemand hunner zou de handen aan hem hebben kunnen of durven slaan, maar hij heeft zich geduldig aan hen onderworpen:
1. Ten einde een voorbeeld te geven van grote zachtmoedigheid en nederigheid, gepaard aan grote kracht en moed, als een, die over zijn eigen geest heerst, weet hij zich te onderwerpen, zowel als te overwinnen
2. Opdat hij, overgeleverd zijnde aan de Filistijnen, gelegenheid zou hebben, om een grote slachting onder hen aan te richten.
3. Opdat hij een type zou zijn van Christus, die, nadat Hij getoond had wat Hij kon doen door hen ter aarde te werpen, die gekomen waren om Hem te grijpen, zich overgaf om gebonden te worden, en als een lam ter slachting te worden geleid. Simson rechtvaardigde zich in hetgeen hij aan de Filistijnen gedaan had: "Gelijk zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hun gedaan, het was een daad van noodzakelijke gerechtigheid, en zij behoren er mij geen weervergelding voor te doen, want zij zijn begonnen." Hij komt overeen met de mannen van Juda, dat zij, als hij zich in hun handen overgeeft, niet zelf op hem zullen aanvallen, want dan zou hij in verzoeking zijn om op hen aan te vallen, waarvan hij zeer afkerig was. Dit beloven zij hem, vers 13 en toen onderwierp hij zich. De mannen van Juda zijn verraders zijnde, waren zij in waarheid zijn moordenaars, zelf wilden zij hem niet doden, maar zij deden wat erger was, zij gaven hem over in de handen van de onbesneden Filistijnen, die, naar zij wisten, erger zouden doen dan hem doden, hem ten dode zouden mishandelen en kwellen. Misschien dachten zij wat, naar sommiger mening, Judas gedacht heeft, toen hij Christus verried, dat hij zich door zijn grote kracht wel uit hun handen zou redden, maar zo hij dit deed dan was niet aan hun te danken, indien zij dachten dat hij het zou doen, dan hadden zij ook moeten denken, dat hij ook hen kon en wilde verlossen, zo zij hem wilden aankleven en hem tot hun hoofd wilden maken. Rechtvaardig wordt hun ellende nog gerekt, die, om hun ergste vijanden te verplichten, aldus hun beste vriend mishandelen. Nooit waren mensen zo verdwaasd, behalve zij, die evenzo onze gezegende Zaligmaker behandeld hebben.
IV. Simson, zijn zaak tegen de Filistijnen verdedigd hebbende, werd toen aan hen overgeleverd, stevig gebonden met twee nieuwe touwen. Toen de Filistijnen hem onder zich hadden, juichten zij hem tegemoet, vers 14. En zo zouden zij, triomferende in hun succes en hem horende, op hem geschoten hebben, zoals hun schutters op Saul geschoten hebben indien God hun handen niet vaster gebonden had, dan de mannen van Juda de zijnen gebonden hadden om hem onmiddellijk te doden, veeleer dan horende juichkreten tegen hem aan te heffen en hem tijd te geven om zichzelf te helpen. Maar hun gerustheid en hun blijdschap waren een voorteken van hun verderf. Toen zij juichten over hem als een overwonnene, in het vaste vertrouwen dat zij hem nu geheel in hun macht hadden, toen werd de Geest des Heeren vaardig over hem, en bezielde hem met meer dan gewone kracht en vastberadenheid. Aldus aangevuurd: 1. Bevrijdde hij zich terstond van zijn banden. Bij de eersten ruk, die hij er aan gaf, braken de twee nieuwe touwen, en versmolten (zoals het oorspronkelijke woord luidt) van zijn handen, tot grote verbazing en verschrikking ongetwijfeld van hen, die tegen hem gejuicht hadden, en wier juichkreten er door veranderd werden in kreten van angst. Toen de Geest des Heeren over hem kwam, werden zijn banden losgemaakt. Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid, en zij die aldus vrijgemaakt zijn, zijn in waarheid vrij. Dit was een afschaduwing van de opstanding van Christus door de kracht van de Geest van de heiligheid, daarin heeft Hij de banden des doods ontbonden, en diens touwen, de grafklederen, vielen van Zijn handen zonder, evenals die van Lazarus, losgemaakt te zijn, omdat het onmogelijk was, dat de machtige Zaligmaker er door gehouden zou worden, en aldus heeft Hij getriomfeerd over de machten van de duisternis, die tegen Hem juichten alsof zij Hem in hun macht hadden.
2. Richtte hij een grote verwoesting onder hen aan, die zich allen rondom hem hadden vergaderd om hem te bespotten, vers 15. Zie hoe erbarmelijk hij gewapend was, hij had geen beter wapen dan een ezelskinnebakken, maar welk een slachting heeft hij er mee aangericht! Niet eerder legde hij het uit de hand, voordat hij er duizend Filistijnen mee gedood had, en aldus werd de belofte meer dan vervuld: "een enig man onder u zal er duizend jagen," Jozua 23:10 s. Een ezelskinnebakken was iets onhandigs om aan te grijpen, en men zou zo denken, dat hem gemakkelijk ontwrongen had kunnen worden, en enkele slagen, zoals hij er mee gaf, zouden het verbroken en verbrijzeld hebben, en toch bleef het goed tot het laatste toe. Als het het kinnebakken van een leeuw ware geweest, inzonderheid van die, die hij zelf verslagen had, dan zou dit hebben kunnen bijdragen om zijn verbeelding aan te vuren en hem te doen denken, dat hij er te meer geducht om was, maar het been van dat verachtelijke dier te nemen, was wonderen te doen door het dwaze van de wereld opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God en niet uit de mens. Een van Davids helden versloeg drie honderd Filistijnen op eenmaal maar het was met een spies, 1 Kronieken 11:11. Een ander sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja aan het zwaard kleefde, 2 Samuël 23:10. Maar die allen bleven ver achter bij Simson. Wat zou te moeilijk of te veel zijn voor hem, over wie de Geest des Heeren vaardig werd? In God zullen wij kloeke daden doen. Het was vreemd dat de mannen van Juda hem nu niet te hulp kwamen, lafaards kunnen wel een vallende vijand slaan, maar hij moest een type zijn van Hem, die de pers alleen getreden heeft.
V. Simson vierde zijn eigen overwinning, daar de mannen van Juda zelfs dat niet voor hem wilden doen. Hij stelde een kort lied op, dat hij voor zichzelf zong, want de dochteren Israëls gingen hem niet tegemoet, zoals zij later Saul tegemoet gingen, om te zingen, en wel met meer reden: Simson heeft zijn duizenden verslagen. Het refrein van zijn lied was: Met een ezelskinnebakken een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen, vers 16. In het Hebreeuws betekent hetzelfde woord "chamoor" een ezel, en ook een hoop, waardoor dit een sierlijke woordspeling wordt, en de Filistijnen voorgesteld worden als zo gedwee te vallen als ezels. Hij gaf ook een naam aan de plaats om de smaad van de Filistijnen in gedachtenis te doen blijven, vers 17, Ramath-Lechi, de opheffing van het ezelskinnebakken. Toch heeft hij niet met verwaandheid dit ezelskinnebakken bij zich gehouden om het overal te tonen, maar toen hij er mee afgedaan had, wierp hij het weg. Zo weinig waren toen relikwieën in tel.