Prediker 8:1-5
I. Hier is de lof van de wijsheid, vers 1, dat is: van ware Godsvrucht, geleid en bestuurd door voorzichtigheid en beleid. De wijze is de Godvruchtige, die God kent en Hem verheerlijkt zichzelf kent en goed voor zichzelf handelt, zijn wijsheid is een groot geluk voor hem, want:
1. Zij verheft hem boven zijn naburen en maakt hem uitnemender dan zij. Wie is gelijk de wijze. Hemelse wijsheid maakt iemand onvergelijkelijk. Al is iemand ook geleerd of van adel, of rijk, hij is zonder genade toch niet te vergelijken met iemand, die ware genade heeft en dus aangenaam is aan God.
2. Zij maakt hem nuttig onder zijn naburen en van grote dienst voor hen. Wie anders dan de wijze weet de uitlegging van de dingen, verstaat de tijden en gebeurtenissen, die erin voorvallen, en hun hachelijke tijdsgewrichten, om te weten wat Israël doen moet, 1 Kronieken 12:32.
3. Zij maakt een mens schoon in de ogen van zijn vrienden, zij verlicht zijn aangezicht, doet zijn aangezicht blinken, zoals dat van Mozes toen hij van de berg kwam, zij legt eer op een mens, geeft luister aan geheel zijn wandel, maakt dat er acht op hem wordt geslagen, en verkrijgt hem achting, Job 29:7 en verv, zij maakt hem bemind en beminnelijk en de lieveling en de zegen van zijn land, de stuursheid van zijn aangezicht zal er door veranderd worden in vriendelijkheid en welwillendheid. Zelfs zij, wier natuurlijke geaardheid ruw en gemelijk is, zullen door de wijsheid een verwonderlijke verandering ondergaan, zij worden zacht en vriendelijk, en krijgen een aangenaam, lieflijk voorkomen.
4. Zij maakt een mens kloekmoedig tegenover zijn tegenstanders, tegen hun aanvallen en tegen hun spotternij. De stoutmoedigheid van zijn aangezicht zal door wijsheid verdubbeld worden, zijn moed zal er door versterkt worden om vast te houden aan zijn oprechtheid als hij niet slechts een eerlijke zaak te bepleiten heeft, maar door zijn wijsheid weet hoe dit te doen, en waar de uitlegging van een ding te vinden. Hij zal niet beschaamd worden, maar zal met zijn vijand spreken in de poort.
II. Een bijzonder voorbeeld van wijsheid dat ons sterk wordt aanbevolen en dat is: onderworpenheid aan het gezag, en een gehoorzaam vreedzaam volharden in onze trouw aan de regering, die Gods voorzienigheid over ons gesteld heeft.
Merk op:
1. Hoe de plicht van onderdanen hier omschreven is.
A. Wij moeten de wetten nakomen. In alle dingen, waarin het burgerlijk gezag wetgevend of rechterlijk optreedt, behoren wij ons te onderwerpen aan zijn orders en instellingen. Ik raad u, men zou in plaats van deze woorden, hier evengoed hebben kunnen inlassen ik beveel u, niet alleen als vorst maar als prediker. Hij zou beide kunnen doen ik beveel het u aan als een blijk van wijsheid ik zeg wat diegenen ook mogen zeggen, die naar verandering staan: houd het gebod van de koning, in wie ook de soevereine macht woont, gehoorzaam er aan, wees er aan onderworpen. "Neem acht op de mond van de koning zo luidt het oorspronkelijke, Spreek zoals hij spreekt, doe wat hij u gebiedt, laat zijn woord wet voor u wezen, of liever, laat de wet zijn woord zijn." "Sommigen vatten de volgende zinsnede als een beperking op van deze gehoorzaamheid. Houd het gebod van de koning, maar zo, dat gij acht geeft op de eed van God, zo, dat gij een goede consciëntie bewaart, en de verplichtingen aan God niet schendt, die eerder en meerder zijn dan uw verplichtingen aan de koning. Geef de keizer wat des keizers is maar zo, dat gij zuiver en ongeschonden aan God kunt geven wat Godes is."
B. Wij moeten niet haastig zijn om afkeurende aanmerkingen te maken op het openbare bestuur, niet twisten met alles wat ons niet naar de zin is, onze post van dienst onder de regering niet opgeven om iedere reden van ontevredenheid, vers 3. Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht, als hij misnoegd op u is, Hoofdstuk 10:4, of als gij misnoegd zijt op hem, barst niet uit in drift, en koester niet zo'n achterdocht van hem, dat gij in verzoeking zijt om zijn hof te verlaten, of weg te gaan uit het koninkrijk." Zodra Salomo het hoofd had neergelegd, hebben zijn onderdanen tegen die regel gehandeld, toen zij na het ruwe antwoord, dat Rehabeam hun gaf, zich haastten om van zijn aangezicht weg te gaan, geen tijd wilden nemen om nog eens na te denken, op geen voorstellen tot een schikking wilden wachten, maar riepen: "Naar uw tenten, o Israël!" Er kan misschien een rechtvaardige reden zijn om van zijn aangezicht weg te gaan, maar wees niet haastig om het te doen, handel met grote bedachtzaamheid.
C. Wij moeten niet volharden in een verkeerdheid, als zij ons aangetoond is. "Blijf niet staande in een kwade zaak, in enigerlei aanstoot, die gij uw vorst hebt gegeven, verootmoedig u, en rechtvaardig u niet, want dat zal de belediging nog veel erger maken. Als gij uit ontevredenheid een boos plan hebt opgevat tegen uw vorst, breng het niet ten uitvoer, maar zo gij dwaselijk gehandeld hebt met u te verheffen, en zo geen kwaad bedacht hebt, de hand op de mond!" Spreuken 30:32. Hoewel wij door verrassing in een kwade zaak kunnen komen moeten wij er toch niet in blijven staan, maar er ons van terugtrekken zodra het ons blijkt dat het een kwade zaak is.
D. Wij moeten ons verstandig schikken naar onze gelegenheden, zowel voor onze eigen verlichting als wij ons verongelijkt achten, alsook tot herstel van openbare grieven, het hart eens weten zal tijd en wijze vers 5. Als onderdanen zich tot hun vorst wenden, dan doen zij verstandig om te vragen en te onderzoeken op welke tijd en op welke wijze zij dit het best doen kunnen, hetzij om zijn toorn tot bedaren te brengen, zijn gunst te verwerven, of om de herroeping te verkrijgen van een harde, drukkende maatregel. Esther heeft om met Ahasveros te handelen zich zeer veel moeite gegeven om beide tijd en wijze te weten, en dienovereenkomstig is zij geslaagd. Het kan genomen worden als een algemenen regel van wijsheid, dat alles op de juiste tijd moet geschieden, en onze ondernemingen zullen dan waarschijnlijk wel slagen, als wij er de juiste tijd voor weten te kiezen.
2. Welke argumenten hier gebruikt worden om ons aan te sporen tot onderworpenheid aan de hogere machten, het zijn ongeveer dezelfde, welke door Paulus werden gebruikt, Romeinen 13:1 en verv.
A. Wij moeten onderworpen zijn om des gewetens wil, en dat is het krachtigste beginsel van onderworpenheid, wij moeten onderworpen zijn naar de gelegenheid van de eed Gods, de eed van trouw, die wij gedaan hebben aan de regering, het verbond tussen de koning en het volk, 2 Kronieken 23:16. David maakte een verbond, of contract, met de oudsten van Israël, 1 Kronieken 11:3. "Houd het gebod van de koning, vers 2, want hij heeft gezworen u te regeren in de vreze Gods, en gij hebt gezworen in die vreze hem getrouw te zijn." Het is de eed Gods genoemd, omdat Hij er getuige van is en er de schending van zal wreken. B. Ter wille van de toorn, vanwege het zwaard, dat de vorst het recht en de macht, die hem gegeven is, en welke hem zeer geducht maakt, al wat hem lust doet hij, hij heeft een groot gezag en een grote bekwaamheid om dat gezag te steunen, vers 4. Waar het woord van een koning is, orders gevende om iemand te grijpen, daar is macht, er zijn velen, die zijn orders ten uitvoer zullen brengen, waardoor de toorn van een koning, of het opperste gezag, als het brullen van een leeuw wordt, en als boden van de dood. Wie zal tot hem zeggen: Wat doet ge? Wie hem tegenspreekt, doet dit op zijn gevaar. Koningen dulden niet dat hun orders worden betwist maar verwachten dat zij gehoorzaamd zullen worden. Kortom, het is gevaarlijk om met soevereiniteit te twisten, en velen hebben daar schade bij opgedaan. Een onderdaan is niet opgewassen tegen een vorst, is geen gelijke partij voor hem. Hij kan mij bevelen, die legioenen onder zijn bevel heeft.
C. Ter wille van ons eigen welzijn, wie het gebod onderhoudt, en een rustig, vreedzaam leven leidt, zal niets kwaads gewaar worden, waarmee het woord van de apostel overeenkomt, Romeinen 13:3. Wilt gij nu de macht van de koning niet vrezen, doe het goede, zoals het een goed en getrouw onderdaan betaamt en gij zult gewoonlijk lof van hem hebben. Hij, die geen kwaad doet, zal geen kwaad gewaar worden, en behoeft er geen te vrezen.