24. Hetgeen, zo als de Goddelijke wijsheid, verre af is en zeer diep, wie onder de mensen, wier ogen door de zonde verduisterd zijn, zal dat vinden, en al de heerlijkheid daarvan kunnen aanschouwen (
Job 11:8;
28:12,
Romeinen 11:32)?
Hoe meer iemand de wijsheid najaagt, des te meer, wanneer hij oprecht is, komt het hem voor, dat zij van hem wijkt, en hare ganse volheid schijnt hem onuitputtelijk toe..
Hoe groter vorderingen vrome mannen op den weg der godzaligheid maken, des te meer erkennen zij, hoe onwaardig zij zijn, omdat, naarmate zij nader bij het licht komen, zij ook meer ontdekken, wat in hun hart verborgen is; hoe veel heerlijker dingen zij met het oog des geestes zien, des te meer ellende ontdekken zij in zich zelven. Ook de wijsheid schijnt, wanneer zij gezocht wordt, zich meer te verwijderen en onbruikelijk te worden; zij echter, die haar in het geheel niet zoeken, menen des te dichter bij haar te zijn, naarmate zij minder haar wezen kennen; want zij, die zelf in duisternis verkeren, kunnen de heerlijkheid van het licht dat zij nooit gezien hebben, niet bewonderen.
Vertrouw in geestelijke dingen nooit op eigen krachten; gij meent wel, dat gij verder komt, maar inderdaad gaat gij bij zulk enen geestelijken hoogmoed terug en verliest datgene weer, wat gij reeds verkregen hadt (2 Johannes 1:8)
Hij was niet te vreden met een oppervlakkig onderzoek, noch met ene gedeeltelijke kennis, neen, zijne navorschingen waren zeer diep en drongen tot in het wezen der zaken door, van welke hij de grond zocht te peilen en het verborgenste te ontdekken. Hij bedoelde de dingen met slechts, maar ook derzelver oorzaken en springveer te kennen, opdat hij er een behoorlijk denkbeeld van hebben en er goede redenen van geven mocht. Dan zie, hoe nietig en vruchteloos alle deze ijverige pogingen waren. Zij voldeden niet aan zijn oogmerk. Hoe meer hij leerde en wist, hoe meer en beter bij bemerkte, dat er nog al meer voor hem overig bleef te leren, en dat hij, die niets met alles wist, als men vergeleek hetgeen hij wist, bij hetgeen hem nog onbekend was.. 25. Ik keerde mij om, en mijn hart, ik stelde er het levendigst belang in, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken levenswijsheid (Job 32:6 ), en ene sluitrede, een resultaat van mijn onderzoek, en a) om te weten de goddeloosheid der zotheid en de dwaasheid der onzinnigheden, of, beter, dat de goddeloosheid dwaasheid en de zotheid onzinnigheid is.
a) Prediker 1:17; 2:12.