Openbaring 4:1-8
Wij hebben hier de mededeling van een tweeden visioen, waarmee Johannes begunstigd werd. Na dezen: dat is niet enkel, nadat ik de verschijning van Christus, wandelende in het midden der zeven gouden kandelaren, gezien had, maar ook, nadat ik de boodschappen aan de zeven gemeenten uit Zijn mond gehoord, opgeschreven en gezonden had, overeenkomstig Zijn bevel, had ik een ander visioen. Zij, die de openbaringen Gods, welke wij reeds ontvingen, goed gebruiken, worden daardoor voorbereid voor andere en mogen ze verwachten. Merk hier op:
I. De voorbereiding, die gemaakt wordt om den apostel dit visioen te geven.
1. Een deur werd geopend in den hemel. Hieruit leren wij:
A. Wat aan de aarde wordt meegedeeld en daar verricht, wordt eerst in den hemel vastgesteld. Daar is het model van al de werken Gods, alle zijn ze daar voor Zijne ogen, en Hij laat den bewoners van den hemel zoveel er van zien als voor hen geschikt is.
B. Wij kunnen van toekomende gebeurtenissen niets weten dan hetgeen het Gode behaagt ons mede te delen, zij zijn achter het voorhangsel, totdat God de deur opent.
C. Zoveel als God van Zijn voornemens openbaart, zoveel mogen en moeten wij daarvan leren kennen, en we moeten niet wijs willen zijn boven hetgeen geopenbaard is.
2. Ten einde Johannes voor het nieuwe visioen voor te bereiden, deed God hem opnieuw een stem als van een bazuin horen, en werd hij opgeroepen in den hemel om een gezicht te ontvangen van de dingen, die na dezen geschieden moeten. Hij werd opgetrokken in den derden hemel.
A. Er is nu een weg geopend in het heilige der heiligen, waardoor de kinderen Gods mogen binnentreden, nu in geloof en heilige liefde, bij hun sterven gaan hun zielen binnen, en ten laatsten dage hun gehele personen.
B. Wij mogen niet beproeven in te dringen in het geheim van Gods tegenwoordigheid, maar wachten tot wij geroepen worden.
3. Om hem voor dit gezicht voor te bereiden, was de apostel in den Geest. Hij was als vroeger in een verrukking, Hoofdstuk 1:10, of het in het lichaam dan wel buiten het lichaam geschied is, kunnen wij niet zeggen. Evenwel: alle lichamelijke handelingen en gevoelens werden een tijdlang opgehouden, en zijn geest werd ingenomen door den geest der profetie, en kwam geheel onder den goddelijken invloed. Hoe meer wij ons aan de stoffelijke dingen onttrekken, des te meer worden wij geschikt voor de gemeenschap met God, het lichaam is een sluier, een wolk, een beletsel voor de ziel in haar omgang met God. Wij moeten het als het ware vergeten wanneer wij in den gebede den Heere naderen, en gewillig zijn het af te leggen opdat wij den hemel mogen binnentreden. Dat was dus de voorbereiding voor het visioen, dat wij nu gaan beschouwen.
II. Het gezicht zelf. Het begint met zeer zonderbare voorstellingen, welke de apostel zag: en wel de volgende: 1. Er was een troon gezet in den hemel, de zetel van eer, gezag en oordeel. De hemel is de troon van God, daar woont Hij in heerlijkheid, en vandaar geeft Hij Zijne wetten aan de gemeente en aan de gehele wereld, alle aardse tronen zijn ondergeschikt aan dezen troon in den hemel.
2. Een heerlijke gedaante op den troon. De troon was niet ledig, daar was een die er op zat, God, die hier beschreven wordt met de aangenaamste en heerlijkste dingen der wereld.
Hij was in het aanzien den steenjaspis en sardius gelijk. God wordt niet beschreven in enige menselijke gestalte, zodat men er een beeld van zou kunnen maken, maar alleen naar Zijn alles- overtreffenden glans. De jaspis is een doorschijnende steen, die het oog een verscheidenheid van de levendigste kleuren aanbiedt, daardoor worden de verscheidene volkomenheden Gods voorgesteld. De sardius is rood, en betekent de gerechtigheid Gods, de eigenschap die een deel van hem zelven is, die Hij nimmer aflegt ten bate van een andere, en welke Hij heerlijk uitoefent in de regering der wereld, en voornamelijk van de gemeente, door onzen Heere Jezus Christus. Deze eigenschap wordt tentoongespreid zowel in vergeving als in straf, zowel in het redden als in het tenietdoen.
3. Een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk, vers 3. De regenboog is het teken en zegel van het verbond, dat God met Noach sloot en met diens geslacht na hem, en hij is een geschikt zinnebeeld voor het verbond der belofte, dat God met Christus als het hoofd der gemeente gesloten heeft, en daarin met al de Zijnen, welk verbond Gode is als de wateren van Noach, een eeuwig verbond, in alle delen wèl verzekerd en vast. Die regenboog was den smaragd gelijk, waarin de meest naar voren tredende kleur groen is, om den verfrissenden en verlevendigenden aard van dat nieuwe verbond aan te duiden.
4. Hij zag rondom den troon vier en twintig tronen, niet ledig, maar bezet door de vier en twintig ouderlingen, welken zeer waarschijnlijk de gehele gemeente Gods voorstellen, zowel onder het Oude als onder het Nieuwe Testament, niet de dienaren van de gemeente, maar hare vertegenwoordigers. Dat zij daar gezeten zijn beduidt hun eer, rust en voldoening, hun zitten op tronen betekent hun betrekking tot God, hun nabijheid bij Hem, het aanschouwen van en zich verheugen in Hem, en hun voortdurende waarneming van Zijn geboden. Zij waren bekleed met witte klederen, de gerechtigheid der heiligen, beide toegerekende en inwonende gerechtigheid. En zij hadden gouden kronen op hun hoofden, zinnebeeld van de eer en het gezag, welke God hun gegeven heeft, en van de heerlijkheid, die zij met Hem hebben. Dit alles kan in lageren zin geacht worden toepasselijk te zijn op de vergaderingen ter godsdienstoefening van de evangelische kerk op aarde, maar in hoger zin op de zegevierende kerk in den hemel.
5. Johannes bemerkte bliksemen, donderslagen en stemmen, die van den troon uitgingen, dat zijn de ontzagwekkende mededelingen van Zijn vrijmachtigen wil en Zijn welbehagen, door God aan Zijne gemeente gedaan. Op die wijze gaf Hij Zijne wet op den berg Sinaï, en het Evangelie heeft niet minder heerlijkheid en gezag dan de wet, ofschoon het van geestelijker aard is.
6. Hij zag zeven vurige lampen brandende voor den troon, waarvan verklaard wordt, dat zij zijn de zeven Geesten Gods, vers 5, de onderscheidene gaven, genaden en werkingen van den Geest Gods in de gemeenten van Christus, die alle worden verdeeld en verleend naar den wil en het welbehagen van Hem, die op den troon zit. 7. Voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. Gelijk er in den tempel een groot koperen wasvat met water gevuld was, waarin de priesters zich moesten wassen voordat zij het altaar des Heeren gingen bedienen (en dat wasvat werd zee genoemd), zo is in de kerk des Evangelies de zee of het wasmiddel het bloed van den Heere Jezus Christus, dat reinigt van alle zonden, ook van de zonden des heiligdoms. Daarin moeten gewassen worden allen, die zullen toegelaten worden in de genadige tegenwoordigheid Gods op aarde en in Zijn luisterrijke tegenwoordigheid in den hemel.
8. Hij zag vier dieren, levende schepselen, tussen den troon en den kring der ouderlingen, (ten minste naar alle waarschijnlijkheid) staande tussen God en Zijn volk. Het schijnt dat hierdoor de dienaren van het Evangelie voorgesteld worden, niet alleen omdat zij in nadere betrekking tot God staan, tussen Hem en de ouderlingen of vertegenwoordigers van het Christelijk volk, en omdat zij minder in getal zijn dan dat volk, maar ook om de beschrijving, die hier van hen gegeven wordt.
A. Zij zijn vol ogen, aanduidende schranderheid, ijver en omzichtigheid.
B. Zij zijn moedig als leeuwen, werkzaam en ijverig, waarin zij den ossen gelijken, hebben menselijke voorzichtigheid en bescheidenheid, en door hun uitmuntende aandoeningen en overpeinzingen stijgen zij als op adelaarsvleugelen ten hemel. Deze vleugelen zijn van binnen en van buiten vol ogen, om te kennen te geven dat zij in al hun overdenkingen en bedieningen handelen moeten met kennis, en voornamelijk dat zij goed bekend moeten zijn met den toestand van hun eigen zielen, en hun eigen belang moeten zien in de grote leerstellingen en plichten van den godsdienst, wakende over hun eigen zielen zowel als over die der gemeente.
C. Zij zijn onophoudelijk bezig, en prijzen God zonder ophouden dag en nacht. De ouderlingen zitten en worden bediend, maar zij staan en bedienen, en hebben geen rust dag en nacht. Dit leidt ons tot het volgende deel van de verschijning.