Numeri 4:1-20
Wij hebben hier een tweede telling van de stam van Levi. Gelijk die stam uit geheel Israël genomen was om in het bijzonder Gods eigendom te zijn, zo werden uit die stam de mannen van middelbare leeftijd uit de overigen genomen om in de werkelijke dienst van de tabernakel gebruikt te worden. Merk hier nu op:
I. Wie in dit getal genomen moeten worden. Al wat mannelijk onder hen was van dertig tot vijftig jaren. Van de andere stammen waren zij, die geteld werden om met het leger uit te trekken, van twintig jaren oud en daar boven, maar van de Levieten slechts die van dertig tot vijftig, want de dienst van God eist het beste van onze kracht en de bloei van onze jaren, die niet beter gebruikt kunnen worden dan tot eer van Hem, die de eerste en de beste is. En men kan veel eerder een goed soldaat dan een goed leraar en bedienaar van de Godsdienst zijn.
1. Zij moesten niet in dienst gesteld worden vóór zij dertig jaren oud waren, omdat zij tot aan die leeftijd nog wel iets kinderachtigs en jeugdigs konden behouden hebben, en ook wellicht de ernst, de waardigheid misten, die nodig was, om de eer te dragen van een Leviet. Als zij vijf en twintig jaren oud waren werden zij als leerlingen toegelaten, Hoofdstuk 8:24, en in Davids tijd, toen er meer werk te doen was, werden zij reeds op twintigjarigen leeftijd als zodanig toegelaten, 1 Kronieken 23:24, zo ook Ezra 3:8, maar zij moesten vijf jaren leren en wachten om zich voor de dienst te bekwamen, ja zelfs waren zij in Davids tijd tien jaren in voorbereiding, van twintig tot dertig jaar. Johannes de Doper begon zijn openbare dienst, en Christus de Zijne, op dertigjarigen leeftijd. Dit is, naar de letter, nu niet verplichtend voor Evangeliedienaren, alsof zij hun arbeid niet mochten aanvangen vóór zij dertig jaren oud zijn, en hun ambt moeten neerleggen als zij vijftig jaar zijn, maar het geeft ons twee goede regels:
a. Dat leraren geen "nieuwelingen" moeten zijn, 1 Timotheus 3:6 T. Het is een werk, waarvoor rijpheid van oordeel nodig is en grote standvastigheid, en daarom zijn diegenen er niet voor geschikt, die slechts kinderen zijn in kennis, en hetgeen van een kind is nog niet hebben teniet gedaan.
b. Zij moeten leren, eer zij onderwijzen, en eerst "beproefd worden," 1 Timotheus 3. 10 T
2. Als zij vijftig jaren oud waren, werden zij ontslagen van het zware werk van de dienst, inzonderheid van het dragen van de tabernakel want dat is de bijzondere dienst, waartoe zij hier verordineerd zijn, en die het meest voorkwam, zolang zij in de woestijn waren. Als zij op hoge leeftijd begonnen te komen werden zij ontslagen.
a. In gunst jegens hen, opdat zij niet overwerkt zouden worden als hun kracht afnam. Twintig jaren van goede dienst werd tamelijk voldoende geacht voor een man.
b. Tot eer van het werk, opdat het niet gedaan zou worden door hen, die door zwakheid of gebreken van de ouderdom langzaam en bezwaarlijk voort kunnen. De dienst van God moet verricht worden als wij levendig, krachtig en werkzaam zijn. Zij bedenken dit niet, die hun bekering uitstellen tot zij oud geworden zijn, en dus het beste werk laten voor de slechtste tijd om het er in te doen.
II. Hoe hun werk wordt beschreven. Zij worden gezegd "in te komen" "tot deze strijd om het werk in de tent van de samenkomst te doen." De bediening is "een voortreffelijk werk," 1 Timotheus 3:1 T. De Evangeliedienaren worden niet geordend alleen voor de eer, maar voor het werk, niet om het loon te hebben, maar om de arbeid te verrichten. Het is een "goede strijd," 1 Timotheus 1:18. Zij, die toetreden tot de dienst van het Evangelie, moeten zich beschouwen als in het krijgsheir te zijn gekomen, en zich "goede krijgsknechten" betonen, 2 Timotheus 2:3.
Wat nu inzonderheid de zonen van Kohath aangaat, wij zien hun hier:
A. Hun dienst aangewezen bij het verplaatsen van de tabernakel. Later, toen de tabernakel aan een vaste plaats was, werd hun ander werk aangewezen, maar dit was nu het werk van de dag, dat op die dag gedaan moest worden. Let er op dat, waar ook het leger Israëls heenging, de tabernakel des Heeren met hen ging, en er moet gezorgd worden voor het dragen er van. Waar wij ook heengaan overal moeten wij onze Godsdienst medenemen, en die niet vergeten, er zelfs geen deel van vergeten. De Kohathieten nu moesten al de heilige dingen van de tabernakel dragen. Tevoren waren zij reeds met deze dingen belast, Hoofdstuk 3:31, maar hier worden hun nog bijzondere instructies gegeven.
a. Aäron en zijn zonen, de priesters, moesten de dingen inpakken, die de Kohathieten hadden te dragen zoals hier bevolen wordt, vers 5 en verv. God had tevoren bevolen, dat niemand in het heilige van de heiligen moest komen, behalve Aäron, eenmaal in het jaar, en dan in een wolk van wierook, Leviticus 16:2, en toch wordt hier, omdat dit door hun ongevestigden toestand noodzakelijk was, vrijstelling gegeven van deze wet, want telkens, als zij optrokken, gingen Aäron en zijn zonen in om de ark af te nemen, en gereed te maken om gedragen te worden, want (gelijk de geleerde bisschop Patrick aanmerkt) de Shechina, of tentoonspreiding van de Goddelijke Majesteit, die boven het verzoendeksel was, ging dan voor het ogenblik in de wolkkolom die opgeheven werd, en dan was het niet gevaarlijk om de ark te naderen.
b. Al de heilige dingen moesten bedekt worden, de ark en de tafel met drie kleden of bedekselen, al de overigen met twee. Zelfs de as van het altaar, waarin het heilig vuur zorgvuldig werd bewaard en ingerekend, moest met een purperen kleed bedekt worden, vers 13. Zelfs het koperen altaar moest, hoewel het in de voorhof van het heiligdom door allen gezien werd, toch bij het dragen bedekt worden. Al deze bedekselen zijn bedoeld:
Ten eerste. Voor veiligheid, want deze heilige dingen moesten niet beschadigd of bedorven worden door wind of regen, of dof gemaakt door de zon, maar in al hun schoonheid bewaard blijven want over alles wat heerlijk is zal een beschutting wezen. De bedekselen van dassenvellen, dik en sterk zijnde, zullen het vocht afweren, en zolang wij op onze reis zijn door de woestijn van deze wereld, zal het ons goed zijn tegen alle weer en wind een beschutting te hebben, Jesaja 4:5, 6.
Ten tweede. Tot sieraad. De meeste van deze dingen hadden tot dekking een kleed van hemelsblauw, purper of scharlaken, dat er over heen gespreid was, en de ark had een geheel kleed van hemelsblauw, vers 6. Een zinnebeeld (zeggen sommigen) van de blauwe hemel, die als een gordijn is tussen ons en de Majesteit hierboven, Job 26:9. Zij, die getrouw zijn aan God, moeten er evenzo naar streven om schoon te zijn in de ogen van de mensen, opdat zij de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren.
Ten derde. Tot verberging. Het betekende de duisternis van die bedeling. Hetgeen thans aan het licht gebracht is door het Evangelie en geopenbaard is aan kinderkens, was toen voor de wijzen en verstandigen verborgen. Zij zagen slechts de bedekking, niet de heilige dingen zelf, Hebreeën 10:11, maar nu heeft Christus" het omwindsel des" "aangezichts verslonden" Jesaja 25:7.
c. Als al de heilige dingen bedekt waren, dan moesten de Kohathieten ze op hun schouders dragen. Die welke handbomen hadden, moesten bij hun handbomen gedragen worden, vers 6, 8-11, 14,, die ze niet hadden, werden op een draagboom, baar, of berrie gedragen, vers 10, 12. Zie, hoe de tekenen van Gods tegenwoordigheid in deze wereld beweeglijke dingen zijn, maar wij verwachten een koninkrijk, dat niet bewogen kan worden.
B. Eleazar, nu de oudste zoon van Aäron is aangesteld tot opziener van de Kohathieten bij dit werk, vers 16. Hij moet er voorzorgen dat er niets wordt vergeten, niets achtergelaten of verplaatst wordt. Als priester had hij meer eer dan de Levieten, maar hij had ook meer zorg, en die zorg was ongetwijfeld een zwaarder last op zijn hart, dan al de lasten, die op hun schouders gelegd werden. Het is veel gemakkelijker het werk van de tabernakel te doen, dan belast te wezen met de zorg, dat anderen hun plicht nakomen, te gehoorzamen dan te heersen.
C. Er moet grote zorg worden gedragen voor het leven van deze Levieten, door hun ontijdige, oneerbiedige nadering te voorkomen tot de dingen, die heiligheid van de heiligheden zijn, vers 18. Gij zult de stam van de geslachten van de Kohathieten niet laten uitgeroeid worden. Zij, die niet doen wat zij kunnen om anderen van zonde af te houden, doen wat zij kunnen om hen uitgeroeid te laten worden.
a. De Kohathieten moesten de heilige dingen niet zien voordat de priesters ze bedekt hadden, vers 20. Zelfs zij, die de vaten des Heeren droegen, zagen niet wat zij droegen, zozeer waren zij zelfs in het duister omtrent het Evangelie, wier ambt het was de wet te verklaren. En
Als de heilige dingen bedekt waren, dan mochten zij ze niet aanraken tenminste de ark niet, hier het heilige genoemd, en dat wel op straffe des doods, vers 15. Uzza werd gedood wegens overtreding van deze wet. Aldus werden toen de dienaren des Heeren zelf in vreze gehouden, en het was een bedeling van de verschrikking, zowel als van de duisternis, maar nu is door Christus de zaak veranderd. Wij "hebben gezien met onze ogen, onze handen" "hebben getast het woord des levens," 1 Johannes 1, en wij worden aangemoedigd om "met vrijmoedigheid tot de troon van de" "genade te komen."