Numeri 35:1-8
De wetten op de tienden en de offeranden hadden ruim voorzien voor het onderhoud van de Levieten, maar het was niet te denken, en het zou ook niet goed zijn geweest voor het algemene welzijn, als zij, toen zij in Kanaän kwamen, allen nabij of rondom de tabernakel zouden wonen, zoals in de woestijn, en daarom moet er gezorgd worden voor geschikte woonplaatsen voor hen, waarin zij op aangename, en tevens nuttige wijze kunnen wonen. Dat is het, waarvoor hier gezorgd wordt.
I. Er werden hun steden toegewezen met haar voorsteden, vers 2. Zij moeten geen grond hebben om te bebouwen, zij behoefden noch te zaaien, noch te mouten, noch in de schuren te verzamelen, want hun hemelse Vader voedde hen met de tienden van de opbrengst van de arbeid van anderen, opdat zij zich des te meer konden toeleggen op de bestudering van de wet, en meer tijd zouden hebben om het volk te onderwijzen, want zij werden niet aldus gemakkelijk gevoed en onderhouden, opdat zij lui en ledig zouden zijn, maar opdat zij zich geheel zouden toewijden aan hun roeping, en niet ingewikkeld zouden zijn in de handelingen des leeftochts.
1. Er werden hun steden gegeven, opdat zij bij elkaar zouden kunnen wonen, met elkaar konden spreken over de wet tot hun onderlinge stichting, en in twijfelachtige gevallen elkaar konden raadplegen en elkanders handen versterken.
2. Deze steden hadden voorsteden, bestemd voor hun vee, vers 3. Van de stadsmuur af gerekend, werden hun duizend ellen toegestaan voor de stallingen van hun vee, en dan nog twee duizend ellen voor weiden, om er het vee in te laten grazen, vers 4,5. Er was zorg gedragen, niet alleen, dat zij konden leven, maar ruim konden leven, en alle begerenswaardige gemakken en gerieflijkheden zouden hebben, opdat zij door hun naburen niet met minachting aangezien zouden worden.
II. Die steden moeten hun toegewezen worden uit het erfdeel van elken stam, vers 8.
1. Opdat iedere stam aldus een dankbare erkentenis zou bewijzen aan God uit zijn onroerend zowel als uit zijn roerend goed, want wat aan de Levieten gegeven werd, werd beschouwd als gegeven aan de Heere, en zo werden hun bezittingen hun geheiligd.
2. Opdat iedere stam het voordeel en voorrecht zou hebben, dat er Levieten onder hen woonden, om hun de goede kennis des Heeren te leren. Aldus werdt dat licht verspreid door alle delen van het land, en nergens duisternis gelaten, Deuteronomium 33:10. Zij zullen Jakob Uwe rechten leren. Jakob's vloek op Levi's toorn was: Ik zal hem verstrooien onder Israël, Genesis 49:7. Maar die vloek werd in een zegen veranderd, en door aldus verstrooid te zijn, werden de Levieten instaat gesteld om zoveel te meer goed te doen. Het is voor een land een grote zegen, om er overal getrouwe leraren in te hebben. Het aantal van de hun toegewezen steden was in het geheel acht en veertig, door elkaar genomen vier in elken stam. Uit de verenigde stammen van Simeon en Juda negen, uit Nafthali drie, en van ieder van de overigen vier, zoals blijkt uit Jozua 21. Aldus werden zij gezegend met goede leraren, en die leraren met een goed levensonderhoud, niet slechts in tienden maar ook in vaste goederen. En hoewel het Evangelie voor deze zaak niet zo nauwkeurig is als de wet, blijkt er toch duidelijk uit dat die onderwezen wordt, mee behoort te delen van alle goederen, dengenen die hem onderwijst, Galaten 6:6.