Deuteronomium 3:1-11
I. Hier zien wij een ander schoon land in Israëls handen gegeven, namelijk Bazan. Van de overwinning op Sihon wordt dikwijls tegelijk met die over Og, melding gemaakt tot eer van God, te meer omdat daarmee Israëls zegepralen begonnen zijn, Psalm 135:11, 136:19,
1. Hoe zij de overhand kregen over Og, een zeer geducht vorst.
Hij was zeer sterk, van de overigen van de reuzen, vers 11. Zijn lichaamskracht was buitengewoon, een gedenkteken daarvan werd bewaard door de Ammonieten namelijk zijn bedstede, die in hun hoofdstad als een zeldzaamheid werd vertoond. Het gewicht van zijn lichaam kon men opmaken uit de materialen, waarvan zijn bedstede gemaakt was, zij was van ijzer alsof een bedstede van hout te zwak voor hem was om er zich aan te wagen, en zijn lengte kan men opmaken naar de afmetingen er van, zij was negen el lang, en vier el breed, hetgeen dus de el gerekend op een halve yard (en sommige geleerden berekenen, dat het nog iets meer was) dan was die bedstede vier en een halve yard lang en twee yards breed, en als wij nu stellen, dat zijn bedstede twee el langer was dan hijzelf-en meer behoeft niet-dan was hij ongeveer drie meter lang dus de dubbele statuur van een gewoon man, en in alles evenredig, en toch hebben zij hem geslagen, vers 3. Als God voor de zaak Zijns volks opkomt, dan kan Hij met reuzen handelen als met sprinkhanen. Niemands krachs of macht kan hem beveiligen tegen de Almachtige. Het leger van Og was zeer sterk, want hij had het gebied over zestig versterkte steden, behalve nog de open steden, vers 5. Toch was voor Gods Israël dit alles niets, toen zij kwamen met de opdracht om hem te verdelgen.
2. Hij was kloekmoedig en vermetel, hij trok uit ten strijde tegen Israël, vers 1. Het was vreemd, dat hij zich door de ondergang van Sihon niet liet waarschuwen, en geen gezantschap zond om naar vredesvoorwaarden te vragen, maar hij betrouwde op zijn eigen kracht, en zo werd hij dan verhard tot zijn verderf. Zij, die door Gods oordelen over anderen niet ontwaken, maar volharden in hun tarten van de hemel, rijpen snel voor een gelijk oordeel over henzelf, Jerem. 3:8. God zei aan Mozes hem niet te vrezen, vers 2. Indien al Mozes zelf zo sterk was in het geloof, dat hij die vermaning niet nodig had, heeft het volk haar waarschijnlijk wel nodig gehad, en voor hen zijn deze vernieuwde verzekeringen bestemd: "Ik heb hem en al zijn volk en zijn land in uw hand gegeven, Ik zal u niet slechts verlossen uit zijn hand, zodat hij u niet zal verderven, maar hem overleveren in uw hand, opdat gij hem ten verderve zijt, en hem zijn aanval duur zult laten betalen". Hij voegt er bij: gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon gedaan hebt, te kennen gevende dat zij aangemoedigd moeten wezen door hun vorige overwinning om op God te vertrouwen voor een nieuwe overwinning, want Hij is God en verandert niet.
II. Hoe zij Bazan een zeer begeerlijk land in bezit kregen. Zij namen al zijn steden, vers 4, en al de roof, vers 7. Zij namen het alles, vers 10, zodat zij nu geheel dat vruchtbare land in handen hadden, dat ten oosten van de Jordaan lag, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe, vers 8. Die verovering en inbezitneming van al deze landen was bestemd niet slechts om Israël aan te moedigen in hun oorlogen in Kanaän, maar om voldoening te schenken aan Mozes vóór zijn dood, omdat hij de voltooiing van hun overwinningen en hun vestiging niet zou beleven, geeft God er hem een voorproef van. Zo wordt aan hen, die geloven, de Geest gegeven, als het onderpand van hun erfenis tot de verkregen verlossing.