Numeri 31:25-47
Wij hebben hier de verdeling van de buit die in deze krijgstocht tegen de Midianieten genomen was. God zelf wees aan hoe dit moest geschieden, en Mozes en Eleazar deden naar Zijn aanwijzing. Aldus werden onzalige twisten onder elkaar voorkomen, en kwam de overwinning allen ten goede. Het was voegzaam dat Hij, die hun de buit gaf, er de beschikking over had, alles wat wij hebben is van God, en daarom moet het onderworpen worden aan Zijn wil.
1. De buit moet in twee delen verdeeld worden, een deel voor de twaalf duizend mannen, die voor de strijd waren uitgetrokken, en het andere deel voor de vergadering. De buit, die verdeeld moest worden, schijnt alleen bestaan te hebben in de gevangenen en in het vee, maar wat betreft zilverwerk, juwelen en andere goederen, ieder behield wat hij nam, zoals te kennen wordt gegeven in vers 50-53. Alleen datgene werd verdeeld wat van nut kon zijn in het goede land, waarin zij weldra komen zullen. Merk nu op:
a. Dat de ene helft van de buit aan de gehele vergadering werd gegeven, aan iederen stam werd door Mozes zijn deel toegewezen, terwijl het verder aan de hoofden van de stammen overgelaten werd, om hun respectieve delen onder elkaar te verdelen naar hun geslachten. De oorlog was ondernomen ten behoeve van de gehele vergadering, allen zouden zij bereid geweest zijn heen te gaan tot de hulp des Heeren tegen de machtigen, indien hun dit bevolen was geworden en waarschijnlijk hebben zij ook geholpen door hun gebeden, en daarom beveelt God, dat zij die thuis bleven de roof zouden uitdelen Psalm 68:13. David heeft het in zijn tijd tot een inzetting en tot een recht gesteld in Israël, dat gelijk het deel is dergenen, die in de strijd mee afgetogen zijn, alzo zal ook het deel zijn dergenen, die bij het gereedschap gebleven zijn, 1 Samuël 30:24, 25. Zij, die in openbare dienst gebruikt worden, moeten niet zichzelf alleen willen bevoordelen door hun arbeid en het gevaar, waaraan zij blootgesteld waren, zij moeten het voordeel van de gehele gemeenschap op het oog hebben.
b. Dat echter aan de twaalf duizend, die ten strijde waren uitgetrokken, evenveel ten deel viel als aan de gehele vergadering, wier getal vijftig maal groter was, zodat de krijgslieden een veel beter deel hadden dan hun broeders, die thuis waren gebleven, en hiervoor waren goede redenen. Hoe meer moeite wij ons geven, en aan hoe groter gevaar wij ons blootstellen in de dienst van God en ons geslacht, hoe groter ten laatsten dage ons loon zal wezen, want God is niet onrechtvaardig, dat Hij ons werk zou vergeten en de arbeid van de liefde.
2. Aan God moet er een schatting van worden gegeven, als een erkenning van Zijn soevereiniteit over hen in het algemeen, en dat Hij was hun Koning, aan wie schatting verschuldigd was, en in het bijzonder van Zijn aandeel aan deze strijd en de winsten er van, daar Hij hun de voorspoed gegeven heeft, en opdat de priesters, des Heeren ontvangers, iets zouden hebben, dat aan hetgeen voor hun onderhoud voorzien was, toegevoegd werd. Van alles wat wij hebben moet aan God gegeven worden wat er Hem van toekomt. En, evenals tevoren, worden de krijgslieden hier bevoorrecht boven de overigen van de vergadering, want van het deel van het volk eiste God één op vijftig, maar van het deel van de krijgslieden slechts één op vijfhonderd, omdat het volk het hun gemakkelijk had verkregen, zonder enigerlei moeite of gevaar. Hoe minder gelegenheid wij hebben om God te eren met onze persoonlijke diensten, hoe groter onze geldelijke bijdragen behoren te wezen. De heflt van de schatting uit de buit van de krijgslieden werd aan de priesters gegeven, vers 29. Die uit de helft van het volk werd aan de Levieten gegeven, vers 30. Want de priesters werden uit de Levieten genomen, zoals de krijgslieden uit het volk voor bijzonderen dienst, en met gevaar van hun leven, en dienovereenkomstig was het hun loon.