1. En Mozes sprak, ten gevolge van een goddelijk bevel, dat hij evenzo in deze tijd ontving (
hoofdstuk 28:1), tot de hoofden van de stammen van de kinderen van Israël, en met deze juist hierom, omdat de zaak, die hij hun had mee te delen, in het burgerlijk rechtswezen, namelijk in het familieleven ingreep, zeggende: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft: 1)
1) In dit hoofdstuk leert Mozes, dat de geloften, welke niet genomen waren door vrije personen, bij God niet geldig waren. Doch, ofschoon van de jongens geen sprake is, omdat echter zij in dezelfde toestand zijn, schijnt het, dat zij bij gevolgtrekking, met de meisjes en vrouwen op één lijn moeten geplaatst worden, tenzij wellicht God voor het zwakke geslacht in het bijzonder heeft willen zorgen. Maar omdat Hij de meisjes, die niet meer onder de vaderlijke macht stonden, toestaat geloften te doen en Hij dus met de sekse geen rekening houdt, maar om de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid te hulp te komen, schijnt de wet deze bedoeling te hebben, dat zowel de vader over zijn kinderen als de man over zijn vrouw het recht ongeschonden wordt gelaten..
HOOFDSTUK 30.
OVER DE GELOFTEN, VOOR ZOVEEL ZIJ VRIJEN EN NIET VRIJEN VERBINDEN.
I. Vers 1-16. Verder regelt de Heere de vrijwillige geloften en onthoudingen, waarvan reeds Leviticus 27 sprake was, voor zover het de vrouwelijke personen betreft, die slechts dan zelfstandig over zichzelf en haar goederen beschikken kunnen, wanneer zij òf weduwen òf door scheiding van haar mannen verlaten zijn; bevinden zij zich echter nog in de vaderlijke macht, of zijn zij door het huwelijk in die van haar echtgenoten overgegaan, dan hangt de verplichting of niet-verplichting van haar gelofte van de bewilliging of weigering van haar vader of echtgenoot af.
1. En Mozes sprak, ten gevolge van een goddelijk bevel, dat hij evenzo in deze tijd ontving (hoofdstuk 28:1), tot de hoofden van de stammen van de kinderen van Israël, en met deze juist hierom, omdat de zaak, die hij hun had mee te delen, in het burgerlijk rechtswezen, namelijk in het familieleven ingreep, zeggende: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft: 1) 1) In dit hoofdstuk leert Mozes, dat de geloften, welke niet genomen waren door vrije personen, bij God niet geldig waren. Doch, ofschoon van de jongens geen sprake is, omdat echter zij in dezelfde toestand zijn, schijnt het, dat zij bij gevolgtrekking, met de meisjes en vrouwen op één lijn moeten geplaatst worden, tenzij wellicht God voor het zwakke geslacht in het bijzonder heeft willen zorgen. Maar omdat Hij de meisjes, die niet meer onder de vaderlijke macht stonden, toestaat geloften te doen en Hij dus met de sekse geen rekening houdt, maar om de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid te hulp te komen, schijnt de wet deze bedoeling te hebben, dat zowel de vader over zijn kinderen als de man over zijn vrouw het recht ongeschonden wordt gelaten..