Numeri 28:1-8
I. Hier wordt een algemene order gegeven betreffende de offeranden des Heeren, die op hun tijd gebracht moesten worden, vers 2. Deze wetten worden hier opnieuw gegeven, niet omdat het waarnemen er van gedurende de acht en dertig jaren van hun omwandelingen in de woestijn geheel in onbruik was geraakt, wij kunnen niet denken dat zij zolang zonder openbare eredienst zijn gebleven, maar dat tenminste het dagelijkse lam s'morgens en s'avonds geofferd werd en op de sabbatdag werd verdubbeld, dat is de gissing van bisschop Patrick, maar dat vele van de offeranden nagelaten werden, wordt duidelijk te kennen gegeven in Amos 5:25, aangehaald door Stefanus, Handelingen 7:42. "Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd veertig jaren in" "de woestijn, gij huis Israëls!" Daarin ligt opgesloten: Neen, dat deedt gij niet. Maar, of nu die reeks van offeranden al of niet onderbroken werd, God oordeelde het gepast om nu de wet op de offers te herhalen:
1. Omdat dit een nieuw geslacht was, waarvan de meesten nog niet geboren waren toen de vorige wetten gegeven werden. Opdat zij nu zonder verontschuldiging zouden gelaten worden, hebben zij niet alleen deze geschreven wetten, die hun voorgelezen moeten worden, maar zij worden door God zelf herhaald, in kleiner bestek en eenvoudiger methode.
2. Omdat zij nu op het punt waren van strijd te voeren, en in verzoeking kunnen zijn om te denken dat zij, terwijl zij daarmee bezig waren, geen offers behoefden te brengen, "inter arma, silent leges onder het wapengedruis wordt slechts weinig acht gegeven op de wet". Neen, zegt God, Mijne offerande, Mijne spijze voor Mijne vuurofferen, zult gij ook nu, waarnemen te offeren, en dat wel op hun tijd. Het was voor hen wel van het grootste belang om nu zij oorlog gingen voeren tegen hun vijanden, vrede te hebben met God. In de woestijn waren zij eenzaam, geheel afgezonderd van andere volken, en daarom hadden zij hun onderscheidingstekenen hier minder nodig, en hun nalaten van de offers zou hier niet zo'n ergernis geven, als toen zij in Kanaän kwamen en met andere volken vermengd werden.
3. Omdat hun nu het land van de belofte in bezit zou gegeven worden, het land vloeiende van melk en honing, waar zij overvloed zouden hebben van alle goed. "Als gij nu uw overvloedige maaltijden zult hebben", zegt God, "vergeet dan niet aan uw God de spijze voor Zijn vuurofferen te offeren." Kanaän was hun gegeven op voorwaarde, dat zij Zijn inzettingen zouden onderhouden, en Zijn wetten bewaren, Psalm 105:44, 45.
II. De bijzondere wet van het dagelijks offer, een lam s'morgens en een lam s'avonds, dat vanwege het gestadige wederkeren er van op elken dag het gedurig brandoffer genoemd wordt, vers 3, hetgeen te kennen geeft dat, als ons gezegd wordt altijd te bidden, te bidden zonder ophouden, hiermede bedoeld wordt dat wij tenminste s'morgens en s'avonds onze plechtige gebeden en lofzeggingen tot God moeten opzenden. Dit wordt gezegd ingesteld te zijn op de berg Sinai, vers 6, toen de andere wetten werden gegeven. De instelling er van hebben wij in Exodus 29:38. In de herhaling van de wet hier wordt niets anders bijgevoegd, dan dat de wijn van het drankoffer sterke wijn moet wezen, vers 7. De krachtigste, edelste wijn, die zij konden bekomen. Hoewel hij niet gedronken, maar op het altaar uitgestort moest worden, (weshalve zij konden denken, dat wijn van de minste kwaliteit nog goed genoeg zou zijn om weggeworpen te worden) eist God toch de beste, de krachtigste, om ons te leren, dat wij God moeten dienen met het beste, dat wij hebben. De wijn moet krachtig wezen, zegt Ainsworth, omdat hij een beeld of type was van het bloed van Christus, waarvan de gedachtenis nog aan de kerk gelaten is in wijn, en van het bloed van de martelaren, dat als een drankoffer werd uitgestort "over de offerande en de bediening onzes geloofs", Filippenzen 2:17.