24. Achtervolgens deze dingen zult gij overdag, zeven dagen lang, de spijze van het vuuroffer bereiden tot een liefelijke reuk voor de HEERE; gij zult dus uw offeraanbieden, dat de Heere tot een spijze verstrekt, waarin Hij een welbehagen heeft (
Leviticus 21:6,
8,
17,
21); boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer. 25. En op de zevende dag zult gij, evenals op de eerste (
Vers 18), een heilige samenroeping hebben: geen dienstwerk zult gij doen.
De vroegere bepalingen over het zevendaagse Paasfeest worden, hoewel samengevat, hier nog eens herinnerd. De hoofdzaak echter, waarop het hier aankomt, is het vaststellen van het offer op iedere dag van het feest in aansluiting met het morgenbrandoffer. Zoals reeds in Vers 19 28:19 gezegd is, zijn die offeranden juist dezelfde, die vastgesteld zijn voor het feest van de nieuwe maan; naderhand komen deze offers weer terug bij het Pinksterfeest (Vers 27) ) en vermenigvuldigd (hoofdstuk 29), bij het Loofhuttenfeest, terwijl zij enigszins verminderd voorkomen op de dag van het geklank (hoofdstuk 29:1), op de Verzoendag (Numeri 29:7 vv.), en op de verbodsdag (Numeri 29:35-38). Blijkbaar vormt dus het zondoffer, dat uit een geitebok bestaat, en het brandoffer, dat uit twee jonge varren, een ram en zeven éénjarige lammeren bestaat, het hoofdoffer van de feestdagen. Bij het brandoffer wordt dit overal met een var verminderd, waar de dag toch reeds door bijzondere feestoffers gekenmerkt is, of zich onmiddellijk aan andere feesten aansluit; vermeerderd daarentegen bij het grootste feest van het jaar, het Loofhuttenfeest. Deze vermeerdering is deels een verdubbeling, 2 rammen en 14 éénjarige lammeren, deels een vervijfvoudiging, 2 maal 5 maal 7 = 70 varren (zie Genesis 47:2 en zie Exodus 27:2); doch de 70 varren worden niet gelijk over de 7 dagen verdeeld, maar in afdalende volgorde: 13, 12, 11, 10, 9, 8, 7, opdat de zevende dag het heilige getal zeven bevatten zou. Evenals de gemeente van Israël, als gemeente van de Heere, zich in haar dagelijkse offeranden naar lichaam, ziel en geest, zich de Heere, haar God, moest toewijden, zo moest zij zo'n heiliging op haar feestdagen in dubbele mate bewerkstelligen; dit is in het algemeen het denkbeeld, dat in al de wetten over het offeren ten grondslag ligt, en deze order ontwikkelt zich zo, dat daardoor iedere hoogtijd zijn eigen streng karakter verkrijgt, naarmate van zijn betekenis en de plaats, die hij in het kerkelijk jaar inneemt..