Numeri 27:15-23
I. Mozes bidt hier om een opvolger. Toen God hem gezegd had dat hij moest sterven, heeft hij, zoals blijkt uit Deuteronomium 3:24, 25, om uitstel voor zichzelf gebeden, maar toen hij dit niet kon verkrijgen, heeft hij ernstelijk gebeden dat Gods werk voortgezet mocht worden, al mocht hij dan de eer niet hebben van het te voleindigen. Afgunstige zielen beminnen hun opvolgers niet, maar Mozes behoorde niet tot hen. Wij moeten in ons gebed en in ons streven voor het opkomend geslacht onze vurige wensen tonen dat de Godsdienst moge bloeien en dat de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen verdedigd en bevorderd worden als wij in ons graf zijn. In dit gebed geeft Mozes uitdrukking aan zijn tedere zorg voor het volk van Israël, dat de vergadering des Heeren niet zij als schapen, die geen herder hebben. Onze Heiland gebruikt deze vergelijking in Zijn mededogen met het volk, toen zij gebrek hadden aan goede leraren, Mattheus 9:36. Overheidspersonen en Evangeliedienaren zijn de herders van een volk, indien deze er niet zijn of niet zijn zoals zij moeten wezen, dan zei het volk allicht afdwalen en verstrooid worden, dan zijn zij blootgesteld aan vijanden, in gevaar van gebrek te hebben aan voedsel, en elkaar te schaden, zoals schapen, die geen herder hebben. Een gelovig steunen op God als de God van de geesten van alle vlees. Hij is beide de formeerder en de doorgronder van de geesten, en daarom kan Hij of geschikte mannen vinden of hen geschikt maken om Zijn doeleinden te dienen tot welzijn van Zijn kerk. Hij bidt God, niet om een engel te zenden, maar om een man te stellen over de vergadering, dat is: iemand te benoemen en aan te stellen, die Hij zou bekwaam maken en erkennen als heerser over het volk Israël. Eer God deze zegen aan Israël gaf, heeft Hij Mozes opgewekt om er voor te bidden. Zo heeft Christus, voor Hij Zijn apostelen uitzond, hen die Hem omringden geroepen, om de Heere des oogstes te bidden dat Hij arbeiders in Zijn oogst zou uitstoten Mattheus 9:38.
II. God verhoort Zijn gebed en beroemt zijn opvolger, namelijk Jozua, die zich reeds sedert lang onderscheiden had door zijn moed in de strijd tegen Amalek, door zijn nederigheid in Mozes te dienen, en zijn geloof en getrouwheid in zijn getuigenis tegen het bericht van de boze verspieders. Dit is de man die God verkiest om Mozes op te volgen. Een man in wie de Geest is, de Geest van de genade. Hij is een goed man, die God vreest, de gierigheid haat en die handelt uit beginsel. De geest van bestuur, of van de regering, hij is geschikt om het werk te doen, zijn ambt naar behoren waar te nemen, een geest van leiding en kloekmoedigheid, en hij had ook de geest van de profetie, want de Heere heeft dikwijls tot hem gesproken, Jozua 4:1, 6:2, 7:10. Nu zegt God hier aan Mozes
1. Hoe of op wat wijze hij de opvolging aan Jozua moest verzekeren.
a. Hij moet hem ordenen, leg uw hand op hem. Dit geschiedde ten teken, dat Mozes hem de regering overdroeg, zoals het leggen van de handen op het offer, het offer in de plaats stelde van de offeraar, en ook ten teken, dat God hem de zegen des Geestes gaf, hetwelk Mozes verkregen had op zijn gebed. In Deuteronomium 34:9 wordt gezegd: Jozua was vol van de Geest, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Die plechtigheid van de handoplegging vinden wij gebruikt in het Nieuwe Testament ter afzondering van Evangeliedienaren, waarmee een plechtige aanwijzing van hen wordt aangeduid voor het ambt, en een ernstige begeerte, dat God er hen bekwaam toe zal maken, en hen er in zal zegenen. Zij worden aldus aan Christus en Zijn kerk geofferd als levende offeranden. b. Hij moet hem voorstellen aan Eleazar en aan het volk, hem stellen voor hun aangezicht, opdat zij zouden weten dat hij door God was aangewezen en bestemd voor dat gewichtig werk, en met die benoeming zouden instemmen.
c. Hij moet hem bevel geven, een last opdragen. Hij moet belast worden met het volk van Israël die in zijn hand waren overgegeven als schapen in de hand van een herder, en voor wie hij verantwoordelijk zal zijn. Hij moet streng bevel ontvangen om zijn plicht aan hen te doen. Zij stonden wel onder zijn bevel, maar hij stond onder Gods bevel, en van Hem moet hij bevel ontvangen, de hoogsten moeten weten, dat er Één is, hoger dan zij. Dit bevel moet hem gegeven worden voor hun ogen, opdat Jozua er te meer door getroffen zou zijn, en opdat het volk, het werk en de zorg ziende, die aan hun vorst waren opgelegd, zich te meer verplicht zouden gevoelen om hem te steunen en te bemoedigen.
d. Hij moet hem van zijn heerlijkheid, dat is een deel van zijn heerlijkheid, opleggen, vers 20. Op zijn meest had Jozua toch slechts iets van de heerlijkheid van Mozes, en in vele opzichten stond hij bij hem achter. Maar hiermede scheen bedoeld te zijn, dat hij hem nu, terwijl hij nog leefde, als mederegent moest aannemen, hem moest toelaten om als zijn medehelper gezag uit te oefenen. Het is een eer om voor God en Zijn kerk te worden gebruikt, iets van die eer moet op Jozua gelegd worden, opdat het volk, nog bij Mozes' leven gewend zijnde hem te gehoorzamen, hem later die gehoorzaamheid zoveel blijmoediger zou bewijzen.
e. Hij moet Eleazar, de hogepriester met de borstlap van het gericht aanstellen als zijn geheimraad, vers 21. Hij zal voor het aangezicht Eleazars, des priesters staan, om door hem de Godsspraak te raadplegen, bereid en gereed, om al de instructies op te volgen, die hem er door gegeven zullen worden. Dit was een aanwijzing voor Jozua dat hij, ofschoon hij vol was van de Geest en hem al die heerlijkheid opgelegd was, toch niets moest doen zonder God om raad te vragen, niet moest steunen op zijn verstand. Het was ook een grote bemoediging voor hem. Israël te regeren en Kanaän te veroveren waren twee moeilijke, zware zaken, maar God verzekert hem, dat hij voor beide onder de Goddelijke leiding zal wezen, en dat God hem voor elk moeilijk geval raad zal geven om te doen wat het beste is. Mozes kon zelf de Godsspraak raadplegen, maar Jozua en de hem opvolgende richteren moeten van de dienst van de hogepriester gebruik maken, en het oordeel raadplegen van de urim, dat, zeggen de Joden, niet geraadpleegd mocht worden dan door de koning, of door het hoofd van het sanhedrin, of door de vertegenwoordiger van het volk voor hen en in hun naam. Aldus stond Israël nu onder een zuivere Godsregering, want de aanstelling van hun vorsten geschiedde door God, en God bestuurde hen in de regering. Naar de mond van de priester, dat is naar zijn woord, naar de wijze van urim moeten Jozua en geheel Israël uitgaan en ingaan, en ongetwijfeld zal God, die hen aldus leidde en bestuurde, hun uitgang en hun ingang bewaren. Diegenen zijn veilig en kunnen gerust zijn, die God volgen en Hem erkennen in al hun wegen.
2. Mozes doet naar hetgeen hem door God gezegd was, vers 22, 23. Blijmoedig heeft hij Jozua geordend.
a. Hoewel dit voor het ogenblik een vermindering was voor hemzelf, en bijna gelijkstond aan een afstand doen van de regering. Hij wil zeer gaarne, dat het volk zal afzien van hem, en de ogen zal richten op de opgaande zon.
b. Hoewel dit een eeuwige schande voor zijn eigen gezin schijnt te wezen. Het zou hem niet tot zo grote lof geweest zijn, indien hij zijn eer en waardigheid afgestaan had aan zijn eigen zoon, maar om met zijn eigen handen eerst Eleazar te ordenen tot priester, en nu Jozua, iemand uit een anderen stam, tot oppersten bestuurder, terwijl zijn eigen kinderen generlei bevordering hadden maar in de rang van gewone Levieten moesten blijven, dat was een voorbeeld van zelfverloochening en onderworpenheid aan de wil van God, dat meer tot zijn eer was dan de hoogste bevordering van zijn gezin zou geweest zijn, want het bevestigt zijn karakter als de zachtmoedigste mens op aarde, getrouw aan Hem, die hem in geheel Zijn huis gesteld heeft. Hiermede toont hij (zegt de uitnemende bisschop Patrick) een beginsel gehad te hebben, dat hem verhief boven alle andere wetgevers, die er altijd voor gezorgd hebben dat hun familie zou delen in de grootheid, die zij hadden verworven maar hieruit bleek dat Mozes niet handelde uit zichzelf, daar hij niet voor zichzelf heeft gehandeld.