Numeri 26:52-56
Mocht iemand vragen waarom er zo bijzonder rekening gehouden werd van de stammen en geslachten en van getal van het volk van Israël dan is hier het antwoord: naar hun toeneming werden zij bedeeld, niet door de gewone voorzienigheid Gods, maar naar belofte, en ter ere van de Goddelijke openbaring, wil God, dat er nota zal genomen worden van de vervulling van de belofte, zowel in hun toeneming als in hun erfdeel. Toen Mozes het volk had geteld, heeft God niet gezegd: Door deze zal het land veroverd worden, maar, dit als aangenomen beschouwende, zegt Hij hem: Aan deze zal het land uitgedeeld worden, zij, die nu ingeschreven zijn als de zonen Israëls, zullen toegelaten worden als erfgenamen van het land Kanaän. Nu wordt bij de verdeling van het land onder deze stammen:
1. Aan Mozes de algemene regel van de billijkheid voorgeschreven, namelijk dat hij aan velen meer moest geven en aan weinigen minder, vers 54. Maar helaas, zover was hij van aan anderen te geven, dat hij zelf niets zal ontvangen, maar deze aanwijzing, die hem gegeven werd, was bestemd voor Jozua, zijn opvolger.
2. De toepassing van deze algemene regel moest geschieden door het lot vers 55. Niettegenstaande het aldus aan de wijsheid van hun vorst schijnt overgelaten, blijft de zaak toch ter eindbeslissing aan de voorzienigheid Gods, waarin zij hebben te berusten, al zou die nog zozeer ingaan tegen hun staatkunde en hun neiging, het land nochtans zal door het lot gedeeld worden. Als de God van de volkeren, en de God van Israël in het bijzonder, behoudt Hij zich voor de bepaling van hun woning te verordenen. En zo heeft Christus, onze Jozua, toen men Hem drong de plaats van een van Zijn discipelen te bepalen aan Zijn rechterhand, en die van een anderen aan Zijn linkerhand in Zijn koninkrijk, de soevereiniteit Zijns Vaders erkend in het beschikken hierover: Het staat bij Mij niet te geven. Jozua moet over de erfdelen in Kanaän niet beschikken naar zijn eigen wil of neiging, het zal gegeven worden hun aan wie het bereid is van Mijn Vader.