Numeri 24:10-14
Wij hebben hier het einde van de vruchteloze poging om Israël te vervloeken, en hoe die poging nu voor goed wordt opgegeven.
1. Balak nam het op zijn ergst. Hij ontstak in woede tegen Bileam, vers 10. Beide in woorden en gebaren, uitte hij in de hevigste mate zijn ergernis en toorn over deze teleurstelling. Hij sloeg zijn handen in elkaar van verontwaardiging, nu hij zag dat al zijn maatregelen op niets uitliepen en geheel zijn plan verijdeld was. Hij beschuldigde Bileam hem op de grofste wijze beledigd en bedrogen te hebben. "Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vloeken, en gij hebt u betoond met hen in verbond te zijn en in hun belang, want gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend, hoewel gij mij door uw bevel om altaren te bouwen en offeranden te offeren, hebt doen geloven dat gij hen gewis zoudt vervloeken." Hierop bande hij hem uit zijn tegenwoordigheid, wees hem het land uit, verweet het hem, dat hij hem tot hoge eer had willen bevorderen, maar dat die eer hem nu zou ontgaan, vers 11. "De Heere heeft die eer van u geweerd. Zie nu wat gij er bij wint om de Heere te behagen inplaats van mij te behagen, dat kost u uw bevordering." Zo wordt aan hen, die door plichtsbetrachting verliezen lijden, dit gewoonlijk smadelijk verweten, alsof zij door de voorkeur te geven aan hun plicht boven hun werelds belang, als dwazen hebben gehandeld. Terwijl toch God, indien Bileam vrijwillig en oprecht het woord des Heeren had opgevolgd en daardoor de bevordering zou verloren hebben, die Balak voor hem bestemd had, hem dit verlies ruimschoots vergoed zou hebben.
2. Bileam heeft er zich zo goed hij kon uit zien te redden.
a. Hij tracht de teleurstelling te verontschuldigen. En een zeer goede, geldige verontschuldiging heeft hij er voor, namelijk dat God hem weerhouden heeft van te zeggen wat hij had willen zeggen, en hem noodzaakte te zeggen wat hij niet heeft willen zeggen, en dat dit iets was waarop Balak niet misnoegd behoorde te wezen, niet slechts omdat hij het niet verhelpen kon, maar omdat hij aan Balak vooruit gezegd had waarop hij had te rekenen, vers 12, 13. Balak kon niet zeggen, dat hij hem had bedrogen, daar hij hem eerlijk gewaarschuwd had, hem gezegd had onder welk bedwang hij zich bevond.
b. Hij tracht het te vergoeden, vers 14. Ofschoon hij niet doen kon wat Balak wilde, zal hij toch zijn nieuwsgierigheid bevredigen met voorzeggingen betreffende de hem omringende volken. Het is ons van nature eigen om behagen te scheppen in profetie, en daarmee hoopt hij dus de vertoornde vorst te verzoenen. Hij wil hem tevreden stellen met de verzekering dat, wat dit geduchte volk ook aan zijn volk moge doen, het niet zal wezen vóór de laatste dagen, zodat hij voor zich generlei kwaad of overlast van hen te vrezen had, het gezicht was nog voor vele dagen, maar in zijn dagen zal er vrede zijn. Hij zal hem op weg helpen om Israël kwaad te doen zonder de plechtigheden van toverij en vervloeking. Dat schijnt opgesloten in het woord: ik zal u raad geven. Waarin die raad bestond, wordt hier niet gezegd, omdat hij in het geheim werd gegeven, maar later wordt het ons meegedeeld Hoofdstuk 31:16. Hij ried hem aan de Israelieten tot afgoderij te verlokken, Openbaring 2:14. Daar hij geen verlof van God kon verkrijgen om hen te vloeken, helpt hij hem op weg om hulp te krijgen van de duivel om hem te verzoeken. "Flectere si nequeo superos, Acheronta movebo. Als ik de hemel niet kan bewegen, dan zal ik aanzoek doen bij de hel."