11. En nu, pak u weg naar uw plaats, naar Mesopotamië, opdat ik mij niet aan u vergrijp. Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou (
hoofdstuk 22:17,
37), maar zie, de HEERE heeft die eer van u geweerd, 1)doordat hij niet toegelaten heeft, dat gij Israël vervloekte. 1) Nu het blijkt, dat elke poging en elk voorstel tevergeefs is, en dat de profetenspreuken ter ere van Israël steeds voller en vuriger worden, is het geduld van Balak ten einde. De liefde wordt in haat, de hoofdsheid in lompheid veranderd; en weldra wordt de man, die men als een halve god heeft ontvangen, als een landloper weggejaagd, onder het toewerpen van de smalende woorden: "Ik had gezegd, dat ik u hoog zou vereren; maar zie, de Heere heeft die ere van u geweerd." Is het nodig nog één enkel woord bij dat woord van de Moabietenkoning te voegen om u het sprekend beeld van de verleiding en boosheid van de wereld te tonen. De verhouding van de wereld tot het Godsrijk is in de grond geen andere, dan waarin hier Moab en Midian tot het naderend Israël staan. Dezelfde vijandschap leeft voort in talloze vormen, en reeds de zucht tot zelfbehoud spoort de wereld en haar dienaren aan om de komst van Gods rijk in haar midden zoveel mogelijk tegen te werken. Waar geweld niet zou baten, zoekt men met list en beleid de zaak van de Heere te stuiten, en natuurlijke vijanden, zoals Midian en Moab niet zelden, worden voor een tijdlang samengezworen vrienden, zodra het erop aankomt tegen de geduchte derde te kampen. Allerwege zoekt de wereld bondgenoten, dienaren, vrienden, en als Balak aan Bileam looft zij u haar gunsten en schatten uit, als gij slechts haar voorschriften volgen en haar ter wille wilt zijn. Weigert gij, zoals hij in de aanvang, nooit zal de wereld geloven, dat gij uit beginsel, maar altijd dat gij uit berekening handelt, en groter loon wil zij uitdelen, wanneer gij slechts aan haar u verkoopt. Wat eist gij, onverzadigbaar hart, zal het eer zijn, of weelde, of goud? O, in de wereld is dat alles desnoods voor een spotprijs te koop, voor wie slechts niet al te nauw van geweten is. Bij uitnemendheid verstaat de wereld de kunst, om zich, als Balak te voegen naar de wisselende loop van de omstandigheden; zij kan zelfs op haar tijd en haar wijze godsdienstig zijn, uit staatkunde namelijk en kwalijk verholen eigenbelang, en toont, zo gij wilt alle mogelijke eerbied voor vormen. Maar waag het omwille van uw leven niet gij die mededingt naar haar lof en haar loon, om te tonen, dat gij God waarlijk meer dan enig mens wilt gehoorzamen. Alles, moet het zijn, kan u de wereld vergeven, maar dit ene is onmogelijk, dat het u ten volle ernst zou zijn met het geloven van het woord en het volbrengen van de geboden des Heeren. Nauwelijks laat gij als Bileam blijken, dat gij aarzelt omdat u de waarheid te sterk is geworden, of de gunst van de wereld is over; van de vriendenlijst wordt gij in het vergeetboek geschreven, en des te dieper smaad zal u treffen, naarmate u hoger ere was toegedacht. En aan zo'n wereld, baatzuchtig, vals en boosaardig, als Balak, zou gij, o mens, uw hart tot slaaf maken, en gij jonge mensen in het bijzonder, zou op haar lokstemmen niet veeleer het fiere antwoord gereed hebben, dat Bileam het eerst aan Balak deed horen: Wanneer Balak mij zijn huis vol goud en zilver gaf, zo kon ik niet het bevel van de Heeren, mijn God, hetzij klein of groot, overtreden!.