Numeri 19:11-22
Hier worden aanwijzingen gegeven omtrent het gebruik van de as, die tot afzondering of reiniging bereid was. Zij werd bewaard om uitgedeeld te worden, en daarom werd zij nu wel, terwijl geheel Israël zo dicht bij elkaar gelegerd lag, op een enkele plaats bewaard en was dit ook voldoende, maar toen zij in Kanaän kwamen, werd waarschijnlijk in iedere stad een deel van die as bewaard, omdat er dagelijks behoefte aan kon wezen.
Merk op:
I. Voor welke gevallen een reiniging met die as nodig was. Er wordt hier geen ander genoemd dan de ceremoniele onreinheid veroorzaakt door de aanraking van een dood lichaam, of van het gebeente, of het graf van een dode, of het zijn in de tent of het huis waar een dood lichaam lag, vers 11, 14-16,. Ik beschouw dit als een van de grootste lasten van de ceremoniele wet, en een van de meest onverklaarbare. Hij, die het dode lichaam van een onrein dier aanraakte, of die een levend mens aanraakte, die zich onder de grootste ceremoniele onreinheid bevond, werd er slechte onrein door tot aan de avond, en had slechts gewoon water nodig om er zich mee te reinigen, maar hij, die nabij het dode lichaam kwam van een man, een vrouw of een kind, moest zeven dagen lang de smaad van zijn onreinheid dragen, moest tweemaal met het water van de afzondering gereinigd worden, dat hij niet zonder moeite en onkosten kon verkrijgen, en mocht voor hij gereinigd was, op straffe des doods, niet nabij het heiligdom komen. Dit was vreemd, in aanmerking genomen:
1. Dat wanneer iemand stierf, en wij zijn menigmaal in doodsgevaar, verscheidene personen onvermijdelijk deze onreinheid moeten opdoen. Het lichaam moest ontkleed, gewassen en omwonden worden, uitgedragen en begraven worden, en dit kon niet geschieden zonder dat er vele handen voor werden gebruikt en toch zijn die alle dan onrein, hetgeen betekent, dat er in onze verdorven en gevallen staat niemand leeft, die niet zondigt, wij kunnen het niet vermijden om besmet te worden door de verontreinigende wereld, waar wij door heengaan, en dagelijks overtreden wij, maar de onmogelijkheid voor ons om zondeloos te zijn, maakt de zonde niet minder verontreinigend.
2. Dat het zorgdragen voor de doden, om hen op betamelijke wijze te begraven, niet slechts noodzakelijk, maar ook een zeer goed werk is, en een daad van vriendelijkheid, zowel ter ere van de doden als ter vertroosting van de overlevenden, en er toch onreinheid door werd opgedaan, hetgeen aanduidt, dat de onreinheid van de zonde ook onze beste werken aankleeft. "Voorwaar, daar is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt," op de een of andere wijze doen wij verkeerd, zelfs in ons goed doen.
3. Dat deze onreinheid opgedaan werd door hetgeen zij binnen hun woning deden, hetgeen te kennen geeft (zoals bisschop Patrick opmerkt) dat God ziet wat er in het verborgene gedaan wordt, en dat niets voor de Goddelijke Majesteit verborgen kan blijven.
4. Dat deze onreinheid opgedaan kon worden, zonder dat men het wist, zoals door de aanraking van een graf, zonder dat men bespeurde dat het een graf was, waarvan onze Heiland zei: dat zij, "die daarover wandelen, het niet weten," Lukas 11:44, hetgeen de verontreiniging aanduidt van de consciëntie door zonden van de afdwaling of van de onwetendheid, en dat wij reden hebben om uit te roepen: "Wie zou de afdwalingen verstaan?" en te bidden: "reinig ons van de verborgen afdwalingen, van de fouten en gebreken, waarvan wij ons niet bewust zijn, waaraan wij ons niet schuldig zien."
Maar waarom heeft de wet een dood lichaam tot zo iets verontreinigends gemaakt?
a. Omdat de dood de bezolding is van de zonde, er door in de wereld gekomen is, en door de kracht er van heerst. Voor het mensdom is de dood iets anders dan wat hij voor de andere schepselen is, hij is een vloek, hij is de uitvoering van de wet, en daarom betekent de verontreiniging van de dood de verontreiniging door de zonde.
b. Omdat de wet de dood niet kon overwinnen, noch hem tenietdoen en er de eigenschap van veranderen zoals het Evangelie dit doet door leven en onsterflijkheid aan het licht te brengen, en ons aldus in te leiden tot een betere hoop. Daar onze Verlosser dood en begraven was, is de dood niet meer verwoestend voor het Israël Gods, en daarom zijn dode lichamen ook niet meer verontreinigend, maar zolang de kerk onder de wet was, kon het niet anders, of de verontreiniging van dode lichamen moest treurige denkbeelden in hun gemoed doen ontstaan betreffende de dood, terwijl thans de gelovigen door Christus er over kunnen triumferen en juichend uitroepen: "Graf, waar is uw overwinning," 1 Corinthiërs 15:55. Waar is uw verontreiniging?
II. Hoe de as in deze gevallen gebruikt moest worden.
1. Een kleine hoeveelheid van de as moest in een vat met levend water gedaan en ermede vermengd worden, waardoor het, zoals het hier genoemd wordt, water van de afzondering werd, omdat het gesprengd moest worden op degenen, die door hun onreinheid van het heiligdom waren afgezonderd of verwijderd. Gelijk de as van de vaars de verdienste betekende van Christus, zo betekende het levend water de macht en genade van de gezegende Geest, die vergeleken wordt bij stromen van levend water en het is door Zijn werking, dat de gerechtigheid van Christus op ons wordt toegepast tot onze reiniging. Vandaar dat wij gezegd worden gewassen te zijn, dat is: geheiligd en gerechtvaardigd, niet slechts in de naam van de Heere Jezus maar door de Geest van onze God, 1 Petrus 1:2. Zij, die zich het nut en voordeel beloven van Christus' gerechtigheid, terwijl zij zich niet onderwerpen aan de genade en de invloed des Geestes, bedriegen zichzelf, want wij kunnen niet scheiden wat God verenigd heeft noch op andere wijze door de as gereinigd worden dan in levend water.
2. Dit water moet op de te reinigen persoon gedaan worden met een bundeltje hysop, in het water gedoopt, vers 18. In toespeling hierop bidt David: ontzondig mij met hysop. Het geloof is het bundeltje hysop, waarmee het geweten besprengd en het hart gereinigd wordt. Velen zouden tegelijk besprengd kunnen worden, en het water, waarmee de as vermengd werd, zou voor vele besprengingen kunnen dienen, totdat het alles gebruikt was en zeer weinig er van, dat op een mens viel volstond om hem te reinigen, indien het met die bedoeling op hem gesprengd was. In toespeling op deze besprenging met het water van de afzondering, wordt van het bloed van Christus gezegd, dat het is het bloed van de besprenging, Hebreeën 12:24, en daarmee wordt, naar Hebreeën 10:22, "ons hart gereinigd van het kwaad geweten," dat is: wij worden verlost van de onrust, die voortkomt uit een besef van onze schuld. En er is voorzegd, dat Christus door Zijn doop "vele heidenen zal besprengen," Jesaja 52:15.
3. De onreine persoon moest met dit water besprengd worden op de derde dag na zijn verontreiniging, en op de zevende dag, vers 12-19. Wij kunnen veronderstellen dat de dagen gerekend werden van dat hij de laatste maal nabij het dode lichaam was gekomen, of het had aangeraakt, want hij zou de dagen van zijn reiniging niet beginnen, terwijl het nog noodzakelijk is dat hij die verontreiniging nogmaals op moet doen. Maar als het dode lichaam begraven was, zodat er geen noodzakelijkheid meer was om er mee in aanraking te komen, dan begon hij zijn dagen te rekenen. Dan alleen kunnen wij gerust en met vertroosting Christus' verdienste toepassen op onze ziel als wij afstand hebben gedaan van de zonde en geen gemeenschap meer hebben met de onvruchtbare werken des doods en van de duisternis. De herhaling van de besprenging leert ons dikwijls de daden van bekering en geloof te vernieuwen, ons, evenals Naäman, zeven maal te wassen, het is nodig dat wij dikwijls doen, wat zo goed gedaan moet worden.
4. Hoewel de opgedane onreinheid slechts ceremonieel was, zou toch het nalaten van de voorgeschreven reiniging tot morele schuld worden, Wie onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden, vers 20. Het is gevaarlijk Goddelijke inzettingen te minachten, al schijnen zij ons ook gering of nietig toe. Een kleine wond kan, als zij verwaarloosd wordt noodlottig worden, een zonde, die wij klein noemen, zal, zo wij er ons niet van bekeren, ons ten verderve zijn, terwijl grote zondaren die zich bekeren, genade zullen vinden. Onze onreinheid maakt scheiding tussen ons en God, maar als wij onrein zijn en ons niet ontzondigen, dan zal dit ons voor eeuwig van Hem scheiden, het is niet zozeer de wonde, die noodlottig is, als wel het minachten van het geneesmiddel er voor.
5. Zelfs hij, die het water van de afzondering sprengde, of het aanraakte, of de onreine persoon aanraakte moest onrein zijn tot aan de avond, dat is, hij moest op die dag niet nabij het heiligdom komen, vers 21, 22. Aldus wilde God hun het onvolkomene doen zien van die diensten, en hun ongenoegzaamheid om het geweten te reinigen, opdat zij zouden uitzien naar de Messias, die zich in de volheid des tijds door de eeuwige Geest Gode onstraffelijk zou opofferen, en aldus ons geweten zou reinigen van dode werken, (dat is: van de zonde, die als een dood lichaam verontreinigt, en daarom een lichaam des doods wordt genoemd) opdat wij vrijheid van toegang zouden hebben tot het heiligdom om de levende God met levende offeranden te dienen.