Numeri 17:1-7
1. Hier hebben wij orders gegeven voor het brengen van een staf voor iedere stam (hetgeen van bijzondere betekenis was, want het woord, dat hier gebruikt is voor staf, heeft soms de betekenis van stam, zoals inzonderheid in Hoofdstuk 34:13.) opdat God door een wonder, hetwelk Hij tot dat doel zal werken, bekend zou maken, aan wie Hij de eer van het priesterschap heeft verleend.
a. Het scheen toen, dat het priesterschap een eer was, wèl waardig om naar gestaan te worden zelfs door de oversten van de stammen. Het is voor de voornaamsten onder de mensen een eer om in de dienst van God te worden gebruikt. Maar deze hebben er misschien meer naar gestaan om de wille van het gewin en de macht die aan het ambt verbonden waren, dan om hetgeen er Goddelijk en heilig in was.
b. Ook schijnt het dat, in weerwil van alles wat er geschied was om die zaak vast te stellen, er nog personen waren, bereid om bij iedere gelegenheid het ambt aan Aaron te betwisten. Zij wilden niet berusten in de benoeming door God gedaan, zij streden met God om de heerschappij, en nu is de vraag: wiens woord en wil zal bestaan? God wil regeren, maar Israël wil niet geregeerd worden, en dat is nu de twist en de vraag.
c. Het is een wonder van Gods genade, dat Hij, na verschillende wonderen gewrocht te hebben, om zonde te straffen, er nog een zal werken, om zonde te voorkomen. God heeft er afdoend voor gezorgd, dat de hardnekkigen zonder verontschuldiging worden gelaten en alle mond gestopt zal worden. Israël was zeer geneigd tot murmureren, beide tegen God en tegen hun regeerders. "Welnu", zegt God" Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen Israëls tegen Mij, vers 5. Indien er iets is, dat hen kan overtuigen, dan zullen zij overtuigd worden, en indien dit hen niet overtuigt, dan zal niets hen overtuigen". Dit zal voor hen wezen, wat Christus zei het teken van de profeet Jona te wezen (dat is Zijn eigen opstanding) voor de mannen van dat geslacht: het grootste bewijs van Zijn zending, dat gegeven kon worden.
De bevelen luiden:
a. Dat twaalf staven gebracht moesten worden. Waarschijnlijk zijn die staven toen niet vers van een boom gesneden, want dan zou het wonder niet zo groot zijn geweest, maar dat het de staven waren, die de oversten gewoonlijk gebruikten als teken van hun gezag, zoals die, waarvan wij lezen in Hoofdstuk 21:18, oude droge staven waarin geen sap meer was, en het is waarschijnlijk, dat zij allen van een amandelboom gesneden waren. Het schijnt dat er in het geheel slechts twaalf staven waren, die van Aaron meegerekend, want als Levi met de andere stammen geteld wordt, dan worden Efraïm en Manasse tot een gerekend onder de naam Jozef.
b. Dat de naam van ieder overste op zijn staf geschreven moest worden, opdat ieder de zijne zou kennen, ten einde strijd te voorkomen, want op hetgeen geschreven is, kan men zich ten allen tijde beroepen.
c. Dat zij gedurende een nacht in de tabernakel weggelegd moesten worden, voor de getuigenis, dat is: voor de ark, die, met haar verzoendeksel, een symbool of getuigenis was van Gods tegenwoordigheid onder hen. d. Zij moesten verwachten, daar hun dit van tevoren gezegd was, dat de staf van de stam, of van de overste, die God tot het priesterambt had verkoren, bloeien zal, vers 5. Het was nodig dat hun dit gezegd werd, opdat het niet als iets toevalligs beschouwd zal worden, maar dat het aldus geschiedde naar de raad en de wil van God.
2. De uitvoering van Gods bevel. De oversten brachten hun staven, sommigen hunner waarschijnlijk in de zoete hoop, dat de keuze op hen zou vallen, en allen het als genoegzame eer beschouwende, om mededingers van Aaron en candidaten voor het priesterambt te zijn, vers 7, en Mozes legde ze weg voor het aangezicht des Heeren. Hij heeft de tegenwerping niet gemaakt, dat de zaak reeds genoegzaam beslist was, en er reeds genoeg was geschied om diegenen te overtuigen, die niet onverwinlijk verhard waren in hun vooroordelen. Hij heeft het niet ondernomen om zelf de twist te beslechten, ofschoon dit licht te doen ware geweest, ook kwam hij niet met de bedenking, dat het nergens toe zou dienen, om voldoening te willen bieden aan mensen, die willens blind waren, maar, daar God het aldus wilde, deed hij wat hem bevolen was, en gaf de zaak over aan de Heere, op wie met algemene instemming het beroep gedaan was.