Numeri 17:8-13
Hier is:
I. De eindbeslissing van de strijd over het priesterschap door een wonder, vers 8, 9. De staven werden uit het heilige der heiligen gebracht, waar zij weggelegd waren, en openlijk aan het volk getoond, en, terwijl al de overigen gebleven zijn zoals zij waren, is alleen Aarons staf van een droge stok tot een levende tak geworden, die bloesem bloesemde en amandelen droeg. In sommige plaatsen waren knoppen, in andere bloesems, in nog andere vruchten, en dat wel op dezelfde tijd. Dit was wonderdadig en nam alle vermoeden weg van bedrog, alsof Mozes `s nachts Aarons staf had weggenomen, en er een levende tak van een amandelboom voor in de plaats had gelegd, want geen gewone tak zou tegelijk knoppen, bloesems en vruchten dragen.
1. Nu was dit voor het volk een duidelijke aanwijzing, dat Aaron tot het priesterambt was verkoren, en geen van de andere oversten van de stammen. Aldus werd hij van hen onderscheiden, en werd het voor allen openbaar dat hij onder de bijzondere zegen des hemels was die soms wasdom geeft, waar de hand des mensen noch geplant, noch net gemaakt heeft. Bisschop Hall merkt hier op, dat vruchtbaarheid het beste bewijs is van een Goddelijke roeping "en dat de plantingen Gods, en de takken, die er afgesneden worden, bloeien zullen," zie Psalm 92:12-14. "De bomen des Heeren" kunnen wel dorre bomen schijnen te zijn, "maar zij zijn vol van sap," Psalm 104:16.
2. Het was een zeer gepast teken om het priesterschap zelf voor te stellen, dat hierdoor aan Aaron bevestigd werd.
a. Dat het vruchtbaar zou wezen voor, en dienstbaar aan de kerk Gods. Het bracht niet slechts bloesems voort maar amandelen, want het priesterschap was bestemd en bedoeld, niet slechts om een eer te zijn voor Aaron, maar om een zegen te zijn voor Israël. Aldus heeft Christus Zijn apostelen en dienstknechten verordineerd, om heen te gaan en vrucht te dragen, en dat "hun vrucht zal blijven," Johannes 15:16.
b. Dat er een opeenvolging van priesters zou zijn, hier waren niet slechts amandelen voor het tegenwoordige ogenblik, maar knoppen en bloesems, die weer beloofden voor later. Aldus heeft Christus gezorgd voor Zijn kerk, dat er van geslacht tot geslacht een zaad zou wezen, dat Hem dient.
c. Dat dit priesterschap toch niet eeuwig zal duren, maar in verloop van tijd, evenals de takken en bloesems van een boom, zal falen en verdorren. "Het bloeien van de amandelboom" wordt vermeld als een van de tekenen van de ouderdom, Prediker 12:5. Deze hoedanigheid werd intijds aan het priesterschap toegekend dat spoedig "oud gemaakt is en verouderd en nabij de verdwijning," Hebreeën 8:13, Het was een type en voorbeeld van Christus en Zijn priesterschap, want Hij is "de Man, de Spruite" Zacheria 6:12, die "een priester zal zijn op zijn troon," en zal opschieten voor het aangezicht Gods, zoals deze staf hier voor de ark, "als een wortel uit een dorre aarde," Jesaja 53:2.
II. De gedachtenis van deze zaak door de bewaring van de staf voor de getuigenis, "in perpetuam rei memoriam, ter eeuwige gedachtenis," vers 10, 11. Het is waarschijnlijk dat de knoppen, bloesems en vruchten fris zijn gebleven, dezelfde Goddelijke macht, die ze in een nacht voortgebracht heeft, heeft ze eeuwenlang bewaard, tenminste zolang als het nodig was tot een teken voor de weerspannigen. Zo was het een blijvend wonder, en de voortduring er van een onloochenbaar bewijs van de waarheid. Zelfs het blad van Gods bomen "zal niet afvallen," Psalm 1:3. Deze staf werd bewaard, zoals de wierookvaten bewaard werden, om een einde te maken aan hun murmureringen, dat zij niet sterven. Gods doel in al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, in de beloning van Zijn genade en in Zijn oordelen, en in de gedachtenis er van, is: zonde weg te nemen en te voorkomen. Deze dingen zijn gedaan, deze dingen zijn "geschreven, opdat wij niet zondigen," 1 Johannes 2:1. Christus is geopenbaard "om onze zonden weg te nemen." Wat God doet ter wegneming van zonde, wordt in ware liefde en goedertierenheid jegens ons gedaan, "opdat wij niet sterven." Al de bittere medicijnen, die Hij ons geeft, en al de strenge maatregelen, die Hij voor ons neemt zijn ter genezing van een ziekte, die anders dodelijk zou zijn. Bisschop Hall merkt hier op, dat de tafelen van de wet, het kruikje met manna en Aarons staf tezamen in of bij de ark bewaard werden, (de apostel noemt ze alle drie tezamen, Hebreeën 9:4) om aan de latere eeuwen te tonen, hoe de kerk vanouds onderwezen, gevoed en geregeerd werd, en daaruit leidt hij af hoe kostelijk en dierbaar de leer, de sacramenten en de regering van de kerk hem zijn, en ons behoren te wezen. De staf van Mozes werd gebruikt om vele wonderen te doen, maar wij bevinden niet dat deze bewaard werd, want dat zou alleen gediend hebben om de nieuwsgierigheid van de mensen te bevredigen, maar de staf van Aaron, waarin een blijvend wonder was, werd zorgvuldig bewaard, omdat dit van blijvend nut zal wezen om het geweten van de mensen te overtuigen, alle twist omtrent het priesterschap te doen eindigen, en van Gods Israël het geloof te bevestigen in Zijn inzettingen. Zodanig is het verschil tussen de sacramenten, die Christus verordineerd heeft tot stichting, en de relikwieën, die de mensen hebben verzonnen tot bijgeloof.
III. Het angstgeschrei van het volk vers 12 13. Zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan! Dit kan beschouwd worden als de taal, hetzij:
1. Van een morrend volk, klagende over de oordelen Gods, die zij door hun hoogmoed en hardnekkigheid zelf over zich gebracht hadden. Zij schijnen te spreken in wanhoop, alsof God een harde meester was, die steeds twist met hen zocht, zodat zij om de geringste afwijking of de kleinste misstap moesten sterven. Zij moeten omkomen, zij moeten allen vergaan! laaghartig te kennen gevende dat God nooit tevreden zou zijn met hun bloed en hun verderf voordat Hij met allen een einde had gemaakt, allen waren omgekomen. Zo schijnen zij "gelijk een wilde os in het net, vol van de grimmigheid des Heeren," Jesaja 51:20, zich er over verbitterende, dat God hun te sterk was, en dat zij genoodzaakt waren zich te onderwerpen, omdat zij niet anders konden. Het is zeer goddeloos om, als wij in benauwdheid zijn ons tegen God te verbitteren, en dus in die benauwdheid nog meer te zondigen. Als wij sterven, als wij omkomen dan hebben wij dit onszelf te wijten, de schuld er van is op ons eigen hoofd. Of:
2. Van een berouwhebbend volk, veel Schriftverklaarders zien er de taal van hun onderwerping. "Nu bemerken wij dat het Gods wil is, dat wij op onze plaats blijven, en dat het gevaarlijk voor ons is, om meer nabij te komen dan het voor ons is verordineerd. Wij onderwerpen ons in deze teleurstelling aan de wil van God, wij zullen niet meer twisten, opdat wij niet omkomen". En zij vragen Mozes om voor hen tussenbeide te treden, opdat zij niet allen vergaan. Aldus was het doel bereikt, en heeft God ten opzichte van deze zaak hun murmureringen gestild, van nu voortaan zullen zij berusten. Als God oordeelt, dan zal Hij overwinnen, en op de een of andere wijze zal Hij de hardnekkigste tegensprekers vroeg of laat hun dwaasheid doen bekennen, bekennen ook, dat Hij in de zaak waarin zij trots gehandeld hebben, boven hen was. "Vicisti Galilaee-Gij hebt overwonnen, o Galileer!"