Numeri 13:21-25
Wij hebben hier een kort bericht van het opnemen des lands door de verspieders.
1. Zij zijn het gehele land doorgetrokken, van Zin in het zuiden, tot Rechob bij Hamath in het noorden, vers 21. Zie Hoofdstuk 34:3, 8. Het is waarschijnlijk dat zij niet allen tezamen reisden, ten einde geen achterdocht op te wekken en gevangen genomen te worden, waarvoor wel gevaar bestond indien de Kanaänieten wisten (en men zou denken dat zij dit wel moesten weten) hoe nabij de Israëlieten waren, maar zich in onderscheidene groepjes verdeelden, om aldus onverdacht als reizigers te kunnen voorttrekken.
2. Zij namen inzonderheid nota van Hebron, vers 22, waarschijnlijk omdat dicht bij die plaats de spelonk van Machpela lag, Genesis 23:2, waarin de aartsvaders begraven waren, en wier dode lichamen, als het ware, het land in bezit hielden voor hun nakomelingen. Aan dit graf inzonderheid hebben zij een bezoek gebracht, en de daar nabij gelegen stad vonden zij in het bezit van de kinderen Enaks, die hier genoemd worden. In die plaats, waar zij de grootste aanmoediging verwachtten, vonden zij de grootste ontmoediging. Waar de lichamen van hun voorouders bezit voor hen hielden, hielden de reuzen bezit tegen hen. Er wordt ons meegedeeld, dat zij optrokken in het zuiden en tot Hebron kwamen, dat is "inzonderheid Kaleb", zeggen de Joden, want van zijn aanwezigheid aldaar vinden wij uitdrukkelijk melding gemaakt in Jozua 14:9, 12, 13,. Maar dat ook anderen van de verspieders er geweest zijn, blijkt uit hun beschrijving van de Enakim, vers 33.
3. Zij brachten een druiventros mee en sommige andere vruchten van het land, als een bewijs hoe buitengewoon goed land het was. Waarschijnlijk hebben zij zich van deze vruchten voorzien, toen zij het land verlieten en terugkeerden. De druiventros was zó groot en zó zwaar, dat zij hem met hun tweeën op een draagstok droegen, vers 23, 24. De plaats, waar zij hem afsneden, werd daarnaar het dal Eskol genoemd, dat is: het dal van de druiventros, die beroemde druiventros, die voor Israël beide een onderpand en voorproef was van al de vruchten van Kanaän. Zo zijn de tegenwoordige vertroostingen, die wij smaken in gemeenschap met God, een voorsmaak van de verzadiging van vreugde, die wij verwachten in het hemelse Kanaän. Daaraan kunnen wij zien wat de hemel is.