Numeri 12:10-16
I. Hier is Gods oordeel over Mirjam, vers 10. De wolk week van boven dat deel van de tabernakel ten teken van Gods misnoegen, en terstond werd Mirjam melaats. Als God heengaat, komt kwaad, verwacht geen goed als God heengaat. De melaatsheid was een ziekte, die dikwijls onmiddellijk door de hand Gods werd opgelegd als straf voor een bijzondere zonde, zoals op Gehazi wegens liegen, op Uzzia wegens het inbreuk maken op het priesterambt, en hier op Mirjam wegens twisten en onenigheid veroorzaken tussen bloedverwanten. De plaag van de melaatsheid kwam waarschijnlijk uit in haar gelaat, zodat het aan allen bleek, dat zij er mee bezocht was, en wel met de ergste soort er van, want zij was melaats, wit als de sneeuw, niet slechts zo wit, maar ook zo zacht als de sneeuw, het vlees verloor zijn vastheid zoals wanneer er verrotting in is. Haar vuile tong (zegt bisschop Hall) wordt terecht gestraft met een vuil gelaat, en haar dwaasheid om als mededingster van Mozes te willen optreden, is nu openbaar geworden voor alle mensen, want iedereen ziet zijn gelaat schitteren, en het hare melaats. Terwijl Mozes een sluier nodig heeft, om zijn glans te verbergen, heeft Mirjam er een nodig om haar schande te verbergen. Krankheden, die ons op de een of andere wijze misvormen, moeten beschouwd worden als een bestraffing van onze hoogmoed en gebruikt tot genezing van die hoogmoed en onder zulke vernederende beschikkingen van Gods voorzienigheid behoren wij zeer nederig te zijn. Het is een teken dat het hart waarlijk hard is, als het vlees gedood wordt, terwijl de begeerlijkheden van het vlees niet gedood zijn. Het schijnt dat deze plaag op Mirjam bedoeld was als een verklaring van de wet op melaatsheid, Levit. 13, want er wordt naar verwezen bij de herhaling van die wet, Deuteronomium 24:8. 9.
Mirjam was met melaatsheid geslagen maar niet Aaron, omdat zij de eerste is geweest in de overtreding, en God een verschil wilde stellen tussen hen, die misleiden, en hen, die misleid worden. Aärons ambt heeft hem niet tegen Gods misnoegen beschut, maar wel geholpen om hem tegen dit teken van Zijn misnoegen te beveiligen, het zou hem niet slechts voor het ogenblik geschorst hebben in zijn bediening, toen hij zo slecht gemist kon worden, (daar er behalve hem en zijn twee zonen geen andere priesters waren) maar het zou voor hem en zijn ambt smadelijk zijn geweest, en een blijvende vlek op zijn geslecht. Als priester had Aäron te oordelen over melaatsheid, en het vervullen van dit deel van zijn ambt bij deze gelegenheid, toen hij Mirjam aanzag, en zie, zij was melaats, was een genoegzame beschaming voor hem. In haar was hij zelf getroffen, en hij kon haar niet melaats verklaren zonder te blozen en te sidderen, wetende dat hij zelf even schuldig was. Dit oordeel over Mirjam kan ons nuttig zijn als een waarschuwing om ons er voor te wachten de Heere Jezus een belediging aan te doen. Indien zij aldus gekastijd werd wegens haar spreken tegen Mozes, wat zal er dan worden van hen, die tegen Christus spreken?
II. Aärons onderwerping hierop, vers 11, 12. Hij verootmoedigt zich voor Mozes, belijdt zijn schuld, en bidt om vergeving. Hij, die zoëven zich nog met zijn zuster verenigd had in te spreken tegen Mozes, is hier genoodzaakt om voor zich en zijn zuster een ootmoedig verzoek tot hem te richten, hem ten hoogste te verheffen (alsof hij Gods macht had om te vergeven en te genezen) die hij zo kort tevoren gekrenkt en verlaagd had. Zij, die de heiligen en dienstknechten Gods vertreden, zullen eenmaal zeer blij zijn om hen zich tot vrienden te maken, op zijn laatst in de andere wereld, zoals de dwaze maagden vriendschapsdienst verzochten van de wijze maagden, toen zij haar om een weinig olie vroegen, en de rijke man Lazarus tot vriend begeerde om een weinig water door hem te verkrijgen, en wellicht reeds in deze wereld, zoals Jobs vrienden, voor wie Job moest bidden, en hier Aäron bij Mozes, Openbaring 3:9. In zijn onderwerping:
1. Belijdt hij zijn eigen en van zijn zusters zonde, vers 11. Hij spreekt eerbiedig tot Mozes van wie hij met geringachting had gesproken, noemt hem zijn heer, en wendt nu de smaad op zichzelf, spreekt als iemand, die zich schaamt over hetgeen hij heeft gezegd, wij hebben zot gehandeld, en wij hebben gezondigd. Diegenen zondigen, en doen zottelijk, die anderen smaden en kwaad van hen spreken, inzonderheid van Godvruchtige mensen, en van hen, die met gezag zijn bekleed. Door het betonen van berouw herroept men hetgeen men verkeerd gedaan of gezegd heeft, en beter is het, dat wij het verkeerd gezegde of gedane herroepen, dan in die zonde te volharden en er door veroordeeld te worden.
2. Hij vraagt Mozes om vergeving: leg toch niet op ons de zonde. Aäron moest zijn gave naar het altaar brengen, maar, wetende dat zijn broeder iets tegen hem had was hij, eerder dan ieder ander, verplicht zich met zijn broeder te verzoenen, ten einde bevoegd te wezen om zijn gave te offeren. Sommigen denken dat die snelle onderwerping, waartoe God hem bereid zag, datgene geweest is, hetwelk voorkwam dat hij, evenals zijn zuster, met melaatsheid geslagen werd.
3. Hij wekt Mozes' medelijden op met de treurige staat van zijn zuster, vers 12. Laat haar toch niet zijn als een dode, dat is: Laat haar toch niet gebannen blijven uit de omgang, alles verontreinigende wat zij aanraakt, en zelfs reeds boven de grond als een dode verrotten. Hij beschrijft de ellende van haar toestand om zijn medelijden op te wekken.
III. Mozes' voorbede voor Mirjam, vers 13. Hij riep tot de Heere met luide stem, omdat de wolk, het symbool van Zijn tegenwoordigheid weg was en op een afstand stond, en om de vurigheid van zijn bede uit te drukken, o God! genees haar toch! Hiermede heeft hij doen blijken dat hij haar de belediging, die zij hem had aangedaan, van harte vergaf, dat hij haar niet bij God beschuldigd heeft, en niet om gerechtigheid tegen haar gevraagd had, zó verre van dien, dat, toen God uit achting voor zijn eer haar gekastijd had, hij de eerste was om het oordeel over haar af te bidden. Door dit voorbeeld wordt ons geleerd te bidden voor degenen, die ons geweld aandoen, en geen behagen te vinden in de meest rechtvaardige straf, die door God of mensen opgelegd wordt aan hen die ons schade of nadeel hebben toegebracht, of ons hebben beledigd. Jerobeams verdorde hand werd genezen op het ernstig bidden van de man Gods, tegen wie zij uitgestrekt was, 1 Koningen 13:6. K Zo werd Mirjam hier genezen op het gebed van Mozes, die zij had beledigd, en Abimelech op het gebed van Abraham, Genesis 20:17. Mozes had kunnen terugtreden, en gezegd hebben: "Zij heeft wat zij verdient, laat het haar leren een andermaal haar tong beter in bedwang te houden." Maar niet tevreden er mee, dat hij kon zeggen niet geboden te hebben om die straf over haar, bidt hij ernstig om de wegneming er van. Wij moeten er ons op toeleggen om dit voorbeeld van Mozes, en dat van onze Heiland: Vader vergeef hun, na te volgen.
IV. De schikking van deze zaak op zo'n wijze, dat goedertierenheid en gerechtigheid elkaar kunnen ontmoeten.
1. Er wordt genade bewezen. Mirjam zal genezen worden. Mozes vergeeft haar, en God zal haar vergeven. (Zie 2 Corinthiërs 2:10.) Maar: 2. Ook de gerechtigheid heeft plaats, daar Mirjam vernederd zal worden, vers 14. Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten worden, opdat zij zelf meer besef krijge van haar schuld en er berouw van hebbe, en opdat haar straf te meer openbaar worde, en geheel Israël er mee bekend zij en er door gewaarschuwd zal worden om niet oproerig te wezen. Indien Mirjam, de profetes, onder zo'n merk van vernedering komt wegens een haastig woord, gesproken tegen Mozes, wat kunnen wij dan verwachten op ons murmureren? "Indien dit aan het groene hout gedaan wordt, wat zal aan het dorre" "geschieden?" Zie, hoe de mensen zich verkleinen en verlagen door de zonde hun heerlijkheid doen tanen, hun eer in het stof leggen. Toen Mirjam God loofde, vonden wij haar aan het hoofd van de vergadering en een van de schitterendste sieraden er van, Exodus 15:20. Nu zij met God heeft getwist, vinden wij haar uitgeworpen als het drek en afschrapsel ervan.
Er wordt een reden gegeven voor haar buitengesloten zijn van het leger gedurende zeven dagen, omdat zij aldus de straf harer ongerechtigheid moet aannemen. Indien haar vader, haar aardse vader, haar slechts in het gelaat had gespuwd, en aldus zijn ongenoegen tegen haar had te kennen gegeven, zou zij dan daarom niet zo beschaamd en ontroerd zijn en zo bedroefd, omdat zij het had verdiend, dat zij zich in haar kamer zou opgesloten hebben, en niet in zijn tegenwoordigheid zou zijn verschenen, haar aangezicht niet getoond zou hebben in het gezin, zich schamende over haar dwaasheid. Indien nu zo'n eerbied verschuldigd is aan "de vader van" "ons vlees," als zij ons kastijden, "hoeveel te meer dan niet aan de" "Vader van de geesten!" Hebreeën 12:9. Als wij onder de tekenen zijn van Gods ongenoegen over de zonde, dan betaamt het ons beschaamd te zijn, en neer te liggen in die schaamte, erkennende dat van onze is de beschaamdheid des aangezichts. Als wij ons door eigen schuld en dwaasheid blootstellen aan de smaad en de minachting van de mensen, de rechtvaardige bestraffing van de kerk, of de kastijdingen van de Goddelijke voorzienigheid, dan moeten wij erkennen dat onze Vader ons rechtvaardig in het aangezicht spuwt, en beschaamd zijn.
V. De hindernis hierdoor veroorzaakt in de voortgang des volks, vers 15. Het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. God verplaatste de wolk niet, en daarom hebben zij het leger niet verplaatst. Dit was bedoeld:
1. Als een bestraffing voor het volk, dat zich bewast was gezondigd te hebben in de gelijkheid van Mirjams overtreding, door tegen Mozes te spreken. In zoverre zullen zij dus delen in haar straf, dat het hun tocht naar Kanaän zal vertragen. Vele dingen zijn ons tegen, maar niets hindert ons zo op onze weg naar de hemel als de zonde.
2. Als een teken van eerbied voor Mirjam. Indien het leger gedurende haar afzondering verreisd was, dan zou haar last en schaamte nog zoveel te groter geweest zijn, in mededogen voor haar zullen zij dus blijven, totdat haar ban is opgeheven en zij wederom aangenomen is, welke aanneming waarschijnlijk met de gewone plechtigheden voor de reiniging van melaatsen geschied is. Zij, die onder censuur en bestraffing zijn om de zonde moeten met grote tederheid behandeld worden, zij moeten niet over beladen worden, zelfs niet met de schande, die zij verdiend hebben, niet als "vijanden worden gehouden," 2 Thessalonicenzen 3:15, T maar vergeven en vertroost worden, 2 Corinthiërs.2:7. Zondaren moeten uitgeworpen worden met smart, en boetvaardiger aangenomen worden met blijdschap. Toen Mirjam weer aangenomen was, vertrok het volk naar de woestijn van Paran, die aan de zuidelijke grens van Kanaän was gelegen, en daarheen zou hun volgende mars hen gebracht hebben, indien zij zichzelf de weg niet hadden versperd.