Nehemia 4:16-23
Toen de bouwers reden hadden te denken dat het plan van de vijanden verijdeld was, zodat zij terugkeerden tot hun werk, waren zij toch niet zo gerust dat zij hun wapens aflegden, wetende hoe rusteloos en onvermoeid zij waren in hun pogingen, en dat zij, zo'n plan mislukte, wel spoedig een ander zouden beramen. Aldus moeten wij altijd waken tegen onze geestelijke vijanden, en niet verwachten dat ons welvaren volkomen zal zijn, voordat ons werk ten einde is. Let op de maatregelen, die Nehemia genomen heeft om het volk op verweer te bereiden, indien zij aangevallen mochten worden.
1. Terwijl de ene helft aan het werk was, was de andere helft onder de wapens, houdende spiesen, schilden en bogen, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de arbeiders, die op het eerste alarmsein hun werk zouden verlaten en hun wapens ter hand nemen, vers 16. Waarschijnlijk hebben zij op bepaalde uren van dienst verwisseld, hetgeen de vermoeienissen van beide kon verlichten, maar inzonderheid een verlichting zou zijn voor de lastdragers wier kracht vervallen was, vers 10, terwijl zij de wapens hielden, waren zij verlicht van hun vermoeienis en toch niet lui of ledig. Aldus hun tijd verdelende tussen de truffels en de spiesen, worden zij gezegd te werken met de ene hand en de wapens te houden met de andere, vers 17, hetgeen niet in letterlijken zin kan opgevat worden, want voor het werk waren beide handen nodig. maar het geeft te kennen dat zij voor beide zaken gelijkelijk gebruikt werden. Aldus moeten wij onze eigen zaligheid werken met de wapens van onze strijd in onze hand, want in het betrachten van elke plicht moeten wij tegenstand verwachten van onze geestelijke vijanden, tegen wie wij nog altijd de goede strijd des geloofs moeten strijden.
2. Iedere bouwer had een zwaard aan zijn lenden gegord, vers 18, dat hij dragen kon zonder dat het hem hinderde in zijn werk. Het woord Gods is het zwaard des Geestes, dat wij altijd bij de hand moeten hebben en nooit moeten hebben te zoeken, zowel bij onze arbeid als in onze strijd als Christenen.
3. Er was zorg gedragen om dadelijk zowel bericht te kunnen ontvangen als bericht te kunnen geven van de nadering van de vijand ingeval hij zou pogen hen te overrompelen. Nehemia hield een trompetter steeds bij zich om op de eerste aanduiding van gevaar terstond alarm te kunnen blazen. Het werk was groot en de bouwers waren verspreid, want aan alle delen van de muur werd tegelijk gearbeid. Nehemia ging voortdurend heen en weer om het werk in ogenschouw te nemen, de werklieden aan te moediger, en zo kon hij spoedig tijding krijgen, indien de vijand een aanval zou doen, waarvan hij dan door trompetgeschal aan allen kennis zou geven, en dan moeten zij zich terstond tot hem begeven, en er zich ten volle van verzekerd houden dat God voor hen zou strijden, vers 18-20. Als zij als werklieden handelden, dan was het nodig dat zij verspreid waren daarheen, waar werk te doen was, maar als zij als krijgslieden handelden, dan was het nodig dat zij in gesloten gelederen optraden. Zo behoren de arbeiders aan het gebouw van Christus bereid te zijn om zich tegen de gezamenlijke vijand te verenigen.
4. De inwoners van de dorpen kregen bevel om binnen Jeruzalem te overnachten met hun dienaren, niet alleen om alzo `s morgens dichter bij het werk te zijn, maar om bij de hand te wezen om hulp te verlenen in geval van een nachtelijken aanval, vers 22. De sterkte van een stad ligt meer in haar handen, dan in haar muren, verzeker u van deze en van Gods zegen er over, en gij kunt gerust zijn. 5. Nehemia zelf en al zijn lieden bleven standvastig aan hun werk. De spiesen werden gehouden om door hun aanblik de vijand schrik aan te jagen, niet slechts van zonsopgang tot zonsondergang, maar van schemering tot schemering elke dag, vers 21. Aldus behoren wij altijd op onze hoede te zijn tegen onze geestelijke vijanden, niet alleen, zoals hier terwijl het licht is maar als het duister is, want zij zijn de geweldhebbers van de duisternis van deze eeuw. Ja, zo ijverig was Nehemia bezig met zijn werk en zo trouw hield hij er zijn dienaren aan, dat noch hij noch zij zich te bed begaven, maar alle nachten met hun klederen aan sliepen, vers 23, behalve als zij ze nu en dan verwisselden, hetzij voor gewone zindelijkheid of in geval van ceremoniële onreinheid. Het was een teken dat zij met hun hart in hun werk waren, als zij geen tijd konden vinden om zich te kleden en te ontkleden, maar besloten ten allen tijde bereid te zijn tot de dienst. Een goed werk zal dan waarschijnlijk voorspoedig voortgaan als zij, die er aan arbeiden, het aldus ter harte nemen.