Nehemia 4:7-15
I. Wij hebben hier: het komplot door de vijanden van de Joden beraamd tegen hen, om het bouwen te doen staken door de bouwers te doden. De samenzweerders waren niet slechts Sanballat en Tobia, maar naburige volken, die zij er deel aan hadden doen nemen. Zij hadden zich gevleid met het denkbeeld dat het werk wel spoedig vanzelf zou ophouden, maar toen zij hoorden dat het voorspoedig voortging, toornden zij op de Joden wegens de spoed, die zij maakten om het werk vooruit te brengen, en op zichzelf, omdat zij zo gedraald hebben om het tegen te gaan, vers 7, Zij ontstaken zeer. Vervloekt zij hun toorn, want hij was heftig, en hun verbolgenheid want zij was hard. Met niets minder willen zij tevreden zijn, dan tegen Jeruzalem te strijden, vers 8. Maar waarom? Wat twist hadden zij met de Joden? Hadden zij hun enig onrecht gedaan? Of bedoelden zij hun onrecht te doen? Neen, zij woonden vreedzaam naast hen, neen, het was blote afgunst en boosaardigheid, zij haatten de Godsvrucht van de Joden en waren geërgerd aan hun voorspoed, en dus zochten zij hun verderf.
Merk op:
1. Hoe eenstemmig zij waren: Zij maakten allen tezamen een verbintenis, hoewel zij onder elkaar verschillende belangen hadden, waren zij toch eensgezind in hun tegenstand van het werk Gods.
2. Hoe geheimhoudend zij waren. "Zij zullen het niet weten noch zien," zeiden zij, "totdat wij hen in onze macht hebben." Aldus hebben zij listig beraadslaagd en gedacht hun plannen voor de Heere zelfs verborgen te kunnen houden, en beloofden zij zich veiligheid en succes, omdat zij met zoveel omzichtigheid en geheimhouding er bij te werk gingen.
3. Hoe wreed zij waren. Wij zullen komen en hen doodslaan. Als het werk door niets anders tot stilstand kan worden gebracht dan door de werklieden te vermoorden, dan zullen zij ook daarvoor niet terugdeinzen, ja zij dorsten naar hun bloed, en zij zijn blij met een voorwendsel om er zich mee te verzadigen.
4. Wat het plan was, en hoe zeker zij waren van er in te slagen, het was: het werk te doen ophouden, vers 11, en zij geloofden vast dat hun dit gelukken zou. Het verhinderen van een goed werk is hetgeen, dat slechte mensen bedoelen en waarmee zij zich vleien, maar goed werk is Gods werk, en het zal voorspoedig zijn.
II. De mismoedigheid, waaronder de bouwers zelf leden. Op dezelfde tijd, dat de vijanden zeiden: Laat ons het werk doen ophouden, zei Juda: "Laat ons het maar opgeven, want wij zullen er niet mee kunnen voortgaan," vers 10. Zij stellen de werklieden voor als vermoeid, en de moeilijkheden, zelfs voor het eerste gedeelte van het werk, namelijk het wegruimen van het puin, als onoverkomelijk, en daarom achten zij het raadzaam om het voor het ogenblik maar op te geven. Kan Juda, de krijgshaftige, kloekmoedige stam, zo spreken? IJverige aanvoerders hebben dikwijls evenveel werk om te worstelen met de angsten van hun vrienden als met de verschrikkingen van hun vijanden.
III. Het bericht, dat aan Nehemia gebracht werd van de plannen van de vijanden, vers 12. Er waren Joden, die bij hen woonden in het land, die, hoewel zij geen ijver genoeg hadden om naar Jeruzalem te gaan en hun broederen te helpen aan het bouwen van de muur, toch eerlijkheid en liefde voor de zaak genoeg hadden, om bericht te geven van de voornemens en bedoelingen van de vijanden, daar zij door hun omstandigheden in de gelegenheid waren om er goed mee bekend te zijn, ja, opdat hun bericht des te meer geloof zou vinden, kwamen zij het zelf brengen, en zij zeiden het wel tienmaal, het herhalende als mensen, die in ernst zijn en onder zorg en bekommering, en de mededeling werd bevestigd door vele getuigen. De tijding, die zij gaven, is in afgebroken, onsamenhangende bewoordingen uitgedrukt, en geeft aan de taalkundigen werk en moeite om er de zin uit op te maken, hetgeen misschien bedoeld is om te kennen te geven dat zij de tijding mededeelden als mensen, die buiten adem en in verwarring zijn, terwijl de uitdrukking op hun gelaat het gebrekkige van hun woorden te hulp kwam. Ik denk dat het gelezen kan worden zonder enigerlei inlassing of toevoeging: "Waarheen gij u ook wendt, overal zijn zij tegen ons, zodat het u nodig is naar alle kanten op uw hoede te zijn." God heeft velerlei middelen om de raadslagen van Zijn vijanden en van de vijanden van de kerk aan het licht te brengen, en aldus teniet te doen. Zelfs de lauwe en zwakke Joden, die tevreden onder hen woonden, zullen dienstbaar gemaakt worden aan de goede zaak door tot spionnen bij hen gemaakt te worden ja veeleer dan dat de zaak mislukken zou, zal het gevogelte des hemels hun stem wegvoeren.
IV. De Godvruchtige en wijze methode door Nehemia aangewend om hun plan te verijdelen, en de goede voortgang van het werk en de veiligheid van de werklieden te verzekeren. In vers 14 wordt gezegd dat hij zag.
1. Hij zag op, riep God te hulp, en stelde zich en zijn zaak onder Zijn hoede en bescherming, vers 9. Wij baden tot onze God. Dat was de wijze van doen van deze Godvruchtige en behoort ook onze wijze van doen te zijn. Al zijn zorgen, al zijn smarten, al zijn angsten spreidde hij uit voor God, en daardoor kwam hij tot rust en kalmte. Dat was het eerste dat hij deed, eer hij enig middel te baat nam, bad hij tot God, want altijd moeten wij met Hem beginnen.
2. Hij zag rondom zich. Gebeden hebbende zette hij een wacht tegen hen. De instructies, die Christus ons heeft gegeven voor onze geestelijke, strijd komen overeen met dit voorbeeld. Waakt en bidt. Als wij denken ons alleen door het gebed te beveiligen zonder te waken, dan zijn wij traag en verzoeken God, indien door te waken zonder te bidden, dan zijn wij hoogmoedig en veronachtzamen God, en op beiderlei wijze verbeuren wij Zijn bescherming.
Merk op:
A. Hoe hij zijn wachten heeft uitgezet, vers 13. In de benedenste plaatsen zette hij hen achter de muur, teneinde die als een borstwering te gebruiken van achter welke zij de vijand konden bestoken, maar in de hogere plaatsen, waar de muur tot zijn volle hoogte was opgebouwd, zette hij hen op de muur, om er stenen, of schichten, van naar beneden op de hoofden van de aanvallers te werpen. Hij plaatste hen naar hun geslachten, opdat hun betrekking tot elkaar hen als vanzelf er toe zou aansporen elkaar te hulp te komen.
B. Hoe hij hen aanmoedigde en bezielde, vers 14. Hij bemerkte dat de edelen en oversten zelf, zowel als het gewone volk, in grote ontsteltenis waren gekomen op dit bericht, geheel gereed te denken dat zij allen verloren waren, waardoor hun handen verslapt werden beide tot werken en tot strijden, en daarom poogt hij hun vrees tot bedaren te brengen. "Komt," zegt hij, " Vreest niet voor hun aangezicht, maar gedraagt u kloekmoedig, bedenkt:
a. Onder wie gij strijdt, gij kunt geen betere aanvoerder hebben, denkt aan die grote en vreselijke Heere, gij waant dat uw vijanden groot en vreselijk zijn, maar wat zijn zij in vergelijking met God, inzonderheid in tegenstand met Hem? Hij is groot boven hen, om hen in bedwang te houden, en zal vreeslijk voor hen zijn, als Hij met hen komt afrekenen." Zij, die met het oog des geloofs de God van de kerk groot en vreselijk zien, zullen de vijanden van de kerk nietig en verachtelijk zien. De heersende vreze Gods is het beste tegengif tegen de verstrikkende vrees voor mensen. Hij, die vreest voor de mens, die sterven zal, vergeet de Heere, die hem gemaakt heeft, Jesaja 51:12, 13.
b. "Voor wie gij strijdt, gij kunt geen betere zaak hebben, gij strijdt voor" "uw broederen," Psalm 122:8, "voor uw zonen en uw" "dochteren." Alles wat u dierbaar is in deze wereld staat op het spel, en daarom, zijt sterk, gedraagt u als mannen."
V. De gelukkige teleurstelling, die dit bezorgde aan de vijand. Toen zij bemerkten dat hun plan ontdekt was en dat de Joden op hun hoede waren, kwamen zij tot de gevolgtrekking, dat het doelloos zou zijn iets te ondernemen maar dat God hun raad teniet gedaan had. Zij wisten dat zij hun doel niet anders konden bereiken dan door overrompeling, en zo hun komplot bekend werd, dan was het vernietigd. Hierop keerden de Joden weer tot de muur een ieder tot zijn werk, met zoveel te meer blijmoedigheid, nu zij zo duidelijk zagen dat God het goedkeurde en zegende, en hen zegende in het doen ervan. Gods zorg voor onze veiligheid behoort ons op te wekken en aan te moedigen om met kracht te volharden in onze plicht. Laat ons, zodra het gevaar voorbij is terugkeren tot ons werk, en een ander maal op God vertrouwen.