Nehemia 5:6-13
Het schijnt dat de bovenvermelde klacht tot Nehemia kwam, toen hij de handen vol had met het bouwen van de muur, maar ziende dat de klacht gegrond was, heeft hij haar niet afgewezen omdat zij op een ongelegen tijd tot hem kwam. Hij heeft de klagers niet berispt, is niet driftig tegen hen uitgevaren omdat zij hem kwamen storen, toen zij zagen dat hij zoveel te doen had, een fout, waaraan mannen van zaken zich maar al te dikwijls schuldig maken. Hij heeft niet eens het onderzoek er naar uitgesteld totdat hij meer gelegen tijd zou hebben. Het was nodig snel tussenbeiden te komen in deze zaak, en daarom heeft hij haar terstond in overweging genomen, wetende dat, al zou hij de muren van Jeruzalem nog zo hoog of dik of sterk maken, de stad toch niet veilig zou wezen, zolang als zulke misbruiken geduld werden.
Let nu op de methode, die hij volgde om deze grieven te herstellen, die zo dreigend waren voor het publiek.
I. Hij was zeer toornig, vers 6. Hij gaf er groot misnoegen over te kennen als over iets, dat zeer slecht was. Het is zeer betamelijk in heersers om zich toornig te tonen over zonde, opdat die toorn de overtreders aanspore om hun plicht te doen, en door de uitdrukking ervan anderen van kwaad worden teruggehouden.
II. Hij beraadslaagde met zichzelf, vers 7. Hieruit blijkt dat zijn toorn binnen de perken bleef, dat, hoewel zijn gemoed geprikkeld en zijn hart ontroerd was, hij toch niets onbedachtelijks gezegd of gedaan heeft. Eer hij de edelen bestrafte, ging hij met zichzelf te rade wat te zeggen, en hoe en wanneer het te zeggen. Bestraffingen moeten met grote behoedzaamheid worden gegeven. Een goed bedoelde bestraffing moet het daarbij voorgestelde doel niet missen door gebrek aan goed beleid, Het is de bestraffing van de onderrichte, die leven geeft. Zelfs wijze mensen verliezen soms het nut en voordeel van hun wijsheid omdat zij niet met zichzelf te rade zijn gegaan, zich geen tijd hebben gegund tot nadenken.
III. Hij twistte met de edelen en met de overheden, die de rijken waren en wier macht hen misschien des te meer stoutmoedig maakte om te verdrukken. Zelfs aan edelen en overheden moet, als zij doen wat kwaad is, dit door bevoegde personen onder het oog gebracht worden. Niemand denke dat hij door zijn waardigheid of door zijn ambt boven bestraffing verheven is.
IV. Hij belegde een grote vergadering tegen hen. Hij riep het volk bijeen, om getuigen te zijn van hetgeen hij zei, en te getuigen (hetgeen het volk over het algemeen zeer gaarne en zeer ijverig doen zal) tegen de verdrukkingen en de afpersingen, waaraan de overheden zich schuldig hadden gemaakt. Ezra en Nehemia waren beide zeer wijze, Godvruchtige, nuttige mannen, maar in gevallen, die niet ongelijk waren, scheen er groot verschil in hun behandeling ervan. Toen aan Ezra de zonde bekend werd gemaakt van de oversten in hun huwen van vreemde vrouwen, scheurde hij zijn klederen en weende en bad, en was er nauwelijks toe te bewegen om pogingen te doen om een reformatie tot stand te brengen, vrezende dat het onuitvoerbaar zou zijn, want hij was een man van een tere, zachte gemoedsaard, toen aan Nehemia een even slechte zaak bekend werd gemaakt, ontstak hij dadelijk in toorn bestrafte de schuldigen en zette het volk tegen hen op, en hij rustte niet voordat hij door al de krachtige methoden, die hij kon aanwenden hen genoodzaakt had zich te verbeteren, want hij was een man van een vurig temperament. Zeer heilige mensen kunnen zeer van elkaar verschillen in natuurlijke geaardheid en in andere dingen. die daaruit voortvloeien. Gods werk kan gedaan worden, goed en met goede uitslag gedane worden, waarbij toch verschillende methoden gebruikt zijn om het te doen, hetgeen een goede reden is, waarom wij het doen van anderen niet moeten laken, noch ons eigen doen als maatstaf moeten stellen. Er is verscheidenheid van werkingen, maar dezelfde Geest.
V. Hij heeft de zaak eerlijk en duidelijk met hen besproken en hun het kwaad aangetoond dat zij deden. De goede en geregelde wijze van van de mensen leven te verbeteren is te trachten om in de eerste plaats hun geweten te overtuigen. Hij bood hun verscheidene dingen ter overweging aan, die zo voegzaam en recht waren, dat hieruit bleek dat hij met zichzelf te rade was gegaan. Hij wijst hen er op:
1. Dat zij, die zij verdrukt hadden hun broederen waren. Gijlieden vordert een last, een ieder van zijn broeder. Het was al erg genoeg vreemdelingen te verdrukken, maar veel erger was het om hun arme broederen te verdrukken, van wie de wet Gods hun niet toeliet "woeker" "te nemen," Deuteronomium 23:19, 20.
2. Dat zij slechts kortgeleden verlost waren uit de handen van de heidenen. Het volk in het algemeen was dit door de wonderbare voorzienigheid Gods, sommige particuliere personen onder hen, die behalve hun delen in de algemene gevangenschap ook nog in dienst waren van heidense meesters, waren dit, vrijgekocht zijnde op kosten van Nehemia en andere vrome, welgezinde personen. "Hebben wij nu," zegt hij, "al deze moeite gedaan om hen vrij te krijgen uit de hand van de heidenen, en zullen dan hun eigen oversten hen tot slaven maken? Hoe ongerijmd! Moeten wij ons dezelfde moeite en onkosten getroosten om hen van ulieden te verlossen als wij ons getroost hebben om hen uit Babel te verlossen?" vers 6. Zij, die door Gods genade vrijgemaakt werden, moeten niet opnieuw "met het" "juk van de dienstbaarheid bevangen worden," Galaten 5:2. 1 Corinthiers 7:23.
3. Dat het een grote zonde was aldus de armen te verdrukken, vers 9. "De zaak is niet goed, die gijlieden doet, gij verkrijgt er geld door, maar gij laadt er schuld mee op uw geweten, en zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods? Voorzeker moet gij dit, want gij belijdt de Godsdienst en uw betrekking tot God, en indien gij in de vreze Gods wandelt, dan zult gij noch haken naar werelds gewin noch wreed zijn voor uw broederen." Zij, die in de vreze Gods wandelen, zullen geen slechte daad durven doen, Job 31:13, 14, 23.
4. Dat het een grote schande was en een smaad voor hun belijdenis. Denkt aan de versmading van de heidenen, onze vijanden, vijanden van ons, van onze God en van onze heiligen Godsdienst. Zij zullen blij zijn met een gelegenheid om tegen ons te spreken, en dit zal er hun ruim gelegenheid toe geven, zij zullen zeggen: "Zie hoe deze Joden, die zoveel toewijding zeggen te hebben aan God, wreed en barbaars zijn voor elkaar." Allen, die de Godsdienst belijden, moeten zeer zorgzaam zijn om niets te doen, waardoor zij zich blootstellen aan de smaad van hen, die buiten zijn, opdat in hen de Godsdienst niet gewond worde.
5. Dat hij zelf hun een beter voorbeeld had gegeven, vers 10, waarover hij later uitvoeriger spreekt, vers 14 en verv. Zij die zelf streng op hun recht staan, zullen al heel weinig recht hebben om anderen te bewegen van het hun af te zien. Vl. Hij drong er ernstig bij hen op aan, niet alleen om voortaan niet meer zulke harde voorwaarden te stellen aan hun arme naasten maar ook om hun terug te geven wat zij van hen in handen hadden, vers 11. Zie hoe gemeenzaam hij tot hen spreekt: Laat ons toch deze last nalaten, zichzelf met hen rekenende, zoals het bestraffers betaamt, hoewel hij er verre van was om aan die misdaad schuldig te zijn. Zie hoe ernstig en nederig hij tracht hen te overreden. Laat ons toch nalaten, en geeft hun toch heden weer, hoewel hij macht had het hun te gebieden, bidt hij toch liever door de liefde. Zie hoe zeer bijzonder hij er bij hen op aandringt om toch vriendelijk te zijn voor de armen, hun hun panden terug te geven, hen weer in het bezit te stellen van hun goederen, hun de betaalde rente terug te geven, en hun tijd te geven om de hoofdsom te betalen. Hij drong hen tot hun verlies, maar hen dringende tot hun plicht, zal dit tenslotte toch tot hun voordeel uitlopen. Wat wij uit barmhartigheid kwijtschelden zal herdacht en beloond worden zowel als hetgeen wij uit barmhartigheid geven.
VII. Hij legde hen onder alle mogelijke verplichtingen om te doen waartoe hij hen drong.
1. Hij verkreeg hun belofte, vers 12. Wij zullen het terug geven.
2. Hij ontbood de priesters om hen te doen zweren, dat zij deze belofte houden zullen, nu hun overtuiging sterk was en zij besloten schenen te zijn, wilde hij hen er aan houden.
3. Hij verbond hen er toe door een plechtige vervloeking, hopende hen daardoor ontzag in te boezemen: Alzo schudde God uit de man, die dit woord niet zal bevestigen, vers 13. Dit was een bedreiging, dat Hij dit gewis doen zou, waarop het volk Amen zei, gelijk als op de vervloekingen van de berg Ebal, Deuteronomium 27, opdat hun eigen mond tegen hen getuige, indien zij hun verbintenis niet zouden nakomen en zij door de vreze hiervoor hun belofte zouden houden. Met dit Amen beloofde het volk de Heere, zover was het van hen om met tegenzin te beloven, dat zij met alle mogelijke uitdrukkingen van blijdschap en dankbaarheid de belofte deden. Zo heeft David, toen hij Gods beloften op zich nam, dankzegging gedaan, Psalm 56:13. Dat was goed, maar wat volgde was nog beter: het volk deed naar dit woord, en bleef bij hetgeen zij gedaan hadden, niet zoals hun voorouders in een soortgelijk geval, die de knechten en maagden, welke zij vrij hadden gelaten, kort daarna deden weerkomen om zich opnieuw door hen te laten dienen, Jeremia 34:10, 11, 18. Goede beloften zijn goede dingen, maar een trouwe vervulling ervan is alles in alles.