Nehemia 2:9-20
I. Er wordt ons gezegd hoe Nehemia heengezonden werd van het hof. De koning had oversten van het leger en ruiters met hem gezonder vers 9, beide om hem tot wachten te dienen, en om te tonen dat hij een man was, tot wiens eer de koning een welbehagen had, en alle dienaren van de koning hem dienovereenkomstig eer en achting zouden bewijzen. Hij, die door de Koning van de koningen gezonden wordt, wordt aldus door Hem beschermd, aldus geëerd met een leger van engelen om hem te geleiden.
II. Hoe hij ontvangen werd, ter plaatse waarheen hij gezonden was.
1. Door de Joden en hun vrienden te Jeruzalem. Er wordt ons gezegd:
a. Dat zij, zolang hij zijn opdracht verborgen hield, weinig notitie van hem namen. Hij was drie dagen te Jeruzalem, vers 11, en het blijkt niet dat iemand uit de voorname mannen van de stad zijn opwachting bij hem gemaakt heeft om hem geluk te wensen met zijn aankomst, maar hij bleef onbekend. De koning had ruiters gezonden om hem te geleiden, maar de Joden zonden er geen om hem tegemoet te gaan, hij had geen dier met hem, dan het dier waarop hij reed, vers 12. Wijze mensen en zij, die dubbele eer waardig zijn, begeren niet zich van praal en pracht te omringen, zelfs niet als zij komen met de grootste zegeningen. De wereld kent hen niet aan wie toch weldra macht en heerschappij zei gegeven worden, 1 Johannes 3:1.
b. Dat hij, hoewel zij weinig notitie van hem namen, zeer veel notitie nam van hen en van hun toestand. Hij stond `s nachts op en nam de ruïnen van de muren in ogenschouw, waarschijnlijk bij maanlicht, vers 13, teneinde te zien wat er gedaan kon worden en hoe zij er bij te werk moesten gaan, of de oude fundamenten nog dienst konden doen en wat er van de oude materialen nog bruikbaar was. Goed werk zal waarschijnlijk goed gedaan worden, als het eerst goed overwogen is. Het is de wijsheid van hen, die openbare zaken te doen hebben, om zoveel mogelijk met eigen ogen zien, en niet geheel af te gaan op rapporten en voorstellingen van anderen, maar toch niet geruchtmakend daarbij te werk te gaan en, zo mogelijk, onopgemerkt te blijven. Zij, die de muren van de kerk willen opbouwen, moeten eerst de bouwvallen van zijn muren in ogenschouw nemen. Zij, die willen weten hoe te verbeteren, moeten onderzoeken wat er verkeerd is, wat hervorming behoeft, en wat kan blijven zoals het is.
c. Dat de oversten en het volk, toen hij hun zijn voornemen bekendmaakte, blijmoedig met hem instemden. Hij heeft hun niet dadelijk gezegd wat hij kwam doen, vers 16, omdat hij alle opzichtigheid, alle praalvertoon wilde vermijden, en opdat hij, indien hij het onuitvoerbaar zou bevinden, zich met des te meer eer terug kon trekken, oprechte, nederige mensen laten de trompet niet blazen als zij aalmoezen doen of een ander goed werk verrichten. Maar toen hij de zaak goed bezien en overwogen had, en waarschijnlijk de oversten en het volk gepolst had, zei hij hun wat God in zijn hart gegeven had, vers 12, namelijk om Jeruzalems muur op te bouwen, vers 17.
Merk op: hoe billijk hij het hun voorstelt: "Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, hoe wij blootliggen voor de vijanden, die rondom ons zijn, hoe terecht zij ons smaden als dwaas en verachtelijk, hoe gemakkelijk een prooi wij voor hen zullen zijn, zodra zij er lust in hebben. Komt dan, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen." Hij onderneemt het niet om het zonder hen te doen, het kon geen werk wezen voor één man-ook beveelt en gebiedt hij niet uit de hoogte, hoewel hij de opdracht van de koning er voor had, maar op vriendelijke, broederlijke wijze vermaant hij hen en wekt hij hen op om zich met hem te verenigen in dit werk. Om hen er toe aan te moediger, spreekt hij van het plan:
Ten eerste, als zijn oorsprong hebbende in de bijzondere genade van God. Hij eigent zich er de lof niet van toe, als een goede gedachte van hemzelf, maar erkent dat God het hem in het hart had gegeven, en daarom behoren zij allen het te steunen, al wat van God is moet gesteund en bevorderd worden-en dus kunnen zij hopen er voorspoedig in te zullen zijn, want waar God de mensen toe zet, daar zal Hij hen in helpen.
Ten tweede. Als hetgeen, dat zijn voortgang totnutoe aan de bijzondere voorzienigheid van God te danken heeft. Hij legde de lastbrief van de koning over, verhaalde hun hoe geredelijk hij hem van de koning verkregen had en hoe ijverig de koning het plan begunstigde, waarin hij de goede hand van zijn God over hem zag. Het zal hem en hun een aanmoediging zijn om voort te gaan met een werk, waaraan God zo merkbaar Zijn goedkeuring schonk. Aldus stelde hij het hun voor, en terstond kwamen zij allen tot het besluit om met hem samen te werken: Laat ons opstaan, dat wij bouwen. Zij schamen zich dat zij zolang stil waren blijven zitten, zonder zelfs een poging te doen om dit nuttige werk tot stand te brengen, en nu besluiten zij op te staan uit hun traagheid, zich in te spannen en elkaar op te wekken tot dit werk. "Laat ons opstaan," dat is: "laat ons het doen met kracht, en naarstigheid, en vastberadenheid, als degenen die besloten hebben het ten einde te brengen." Zo sterkten zij hun handen, hun eigen en elkaars handen voor dit goede werk. Menig goed werk zou handen genoeg vinden om er mee bezig te zijn, indien er slechts een goede hand was om er de leiding van te hebben. Allen zagen de verwoestingen van Jeruzalem, maar niemand stelde voor om ze te herstellen. Maar toen Nehemia het voorstelde, stemden zij er allen in toe. Het is jammer dat een goed voorstel teloor gaat uit gebrek aan iemand om het voor te stellen, er het ijs voor te breken. Door onszelf en elkaar op te wekken tot het goede, sterken wij er onszelf en elkaar voor, want de grote reden waarom wij zwak zijn in onze plicht, is dat wij koud, onverschillig en besluiteloos in zijn.
2. Laat ons nu zien hoe Nehemia ontvangen werd door hen, die de Joden kwalijk gezind waren, hem, die door God en Zijn Israël gezegend werd, vloekten zij.
A. Niet zodra vertoonde hij zich, of zij werden er door geërgerd, vers 10. Toen Sanballat en Tobia, twee van de Samaritanen, maar van geboorte de eerste een Moabiet en de tweede een Ammoniet, iemand zagen, gewapend met een lastbrief van de koning om Israël dienst te bewijzen, mishaagde het hun met groot mishagen, dat al hun armzalige kunstgreepjes om Israël te verzwakken aldus verijdeld werden door een billijk en edelmoedig plan om het te versterken. Niets is een grotere kwelling voor de vijanden van Godvruchtige mensen, die door hen aan vorsten werden voorgesteld als woelzieke oproerige lieden, die niet waard zijn dat zij leven, dan te zien dat zij bij de overheden goed staan aangeschreven, dat hun onschuld bewezen, de smaad van hen afgewenteld is, en dat men hen niet slechts waardig acht om te leven, maar om vertrouwd te worden. Toen zij een man zagen komen, met het uitgesproken doel om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls, griefde hen dit toch in de ziel, de goddeloze zal het zien en zich vertoornen.
B. Toen hij begon te handelen, poogden zij hem te belemmeren, maar tevergeefs, vers 10, 20. a. Ziehier met hoe weinig reden de vijanden hen ontmoedigden. Zij stelden de onderneming voor als iets dat dwaas was, zij lachten ons uit en bespotten ons, en verachtten ons als dwaze bouwlieden, die niet konden voleindigen wat wij hadden begonnen. Zij stelden de onderneming ook voor als iets, dat zeer slecht was, niets meer of minder dan verraad. Wilt gijlieden tegen de koning rebelleren? Dit was de oude hatelijke beschuldiging, hoewel zij nu een lastbrief van de koning hadden en onder zijn bescherming waren genomen, moeten zij toch nog rebellen worden genoemd.
Zie ook met wat goede reden zij deze ontmoedigingen minachtten. Zij houden zich hiermede staande, dat zij de knechten zijn van de God des hemels, van de enig ware en levende God, dat zij in hetgeen zij deden voor Hem handelden, en dat Hij hen dus door zal helpen en hen voorspoedig zal maken, ofschoon de heidenen woeden, Psalm 2:1. Zij overwegen ook dat de reden, waarom deze vijanden hen zo belasterden, was dat zij geen recht hebben in Jeruzalem, maar hun recht er in benijden. Zo kunnen de machteloze dreigementen van de vijanden van de kerk gemakkelijk door de vrienden van de kerk geminacht worden.