Esther 8:15-17
Het is slechts weinige dagen geleden, dat wij Mordechai met een zak bekleed zagen, en al de Joden in rouw waren gedompeld, maar hier is nu een gezegende verandering, Mordechai is in purper gekleed, en de Joden hebben blijdschap. Zie Psalm 30:6, 12, 13.
1. Mordechai in purper gekleed, vers 15. Een order verkregen hebbende voor de verlossing van de Joden, was hij blij en gerust, legde zijn rouwgewaad af, en bekleedde zich met een koninklijk gewaad, dat of bij zijn ambtsbetrekking behoorde, of de koning hem als zijn gunsteling had toegestaan. Zijn kleding was rijk, hemelsblauw en wit, fijn linnen en purper, en dat was ook zijn kroon. want zij was van goud. Dat zijn dingen, niet van de moeite waard om opgemerkt te worden, behalve als tekenen van de gunst van de koning, en die was de vrucht van Gods gunst jegens Zijn kerk. Het staat goed met een land, waarin de onderscheidingstekenen van waardigheid en macht tot versierselen worden gemaakt van ernstige Godsvrucht. De stad Susan was zich bewust van haar voorrecht en voordeel door de bevordering van Mordechai en daarom juichte zij en was vrolijk, niet slechts blij in het algemeen met de bevordering van deugd, maar voor zich in het bijzonder betere tijden tegemoet ziende, nu aan zo'n goed man macht was gegeven. Haman was gehangen, en "als de goddelozen vergaan," "is er gejuich," Spreuken 11:10. Mordechai was verhoogd en "als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk."
2. De Joden in blijdschap, vers 16, 17, die zich, een poosje geleden, onder een donkere wolk bevonden, terneergeslagen en gesmaad, en nu was er licht bij hen en blijdschap, en vreugde en eer, maaltijden en vrolijke dagen. Indien zij niet bedreigd en benauwd waren geworden, zij zouden geen reden hebben gehad voor die buitengewone vreugde. Gods kinderen moeten soms met tranen zaaien opdat zij met des te meer gejuich zullen maaien. Het plotselinge en verrassende in die voor hen zo gunstige verandering van zaken, heeft zeer veel bijgedragen tot hun vreugde, zij waren "gelijk" "degenen die dromen, hun mond werd vervuld met lachen en hun tong" "met gejuich," Psalm 126:1,2.
Eén goede uitwerking van deze verlossing was, dat velen uit de volkeren van het land Joden werden. De heilige blijdschap van hen, die de Godsdienst belijden, is een groot sieraad voor hun belijdenis, en zal anderen nodigen en aanmoedigen om Godsdienstig te zijn. De reden, hier opgegeven, waarom toen zovelen Joden zijn geworden, is, dat de vrees van de Joden op hen was gevallen. Toen zij bemerkten hoe wonderbaarlijk de voorzienigheid Gods hen in dit moeilijk tijdsgewricht had erkend, gezegend en beschermd:
a. Achtten zij hen groot, en diegenen gelukkig, die zich onder hen bevonden, en daarom gingen zij tot hen over, gelijk voorzegd was, Zacheria 8:23, Wij "zullen met ulieden gaan," want wij "hebben gehoord," wij hebben gezien, "dat God met ulieden is, het" "schild van uw hulp, en die een zwaard is van uw hoogheid," Deuteronomium 33:29. Als de kerk voorspoedig en in gunst is, dan zullen er velen toe inkomen, die zich op een afstand houden als zij in moeilijkheid is.
b. Zij achtten hen geducht en diegenen rampzalig, die tegen hen waren. In Hamans lot zagen zij duidelijk, dat het op hun gevaar was, zo de lieden de Joden kwaad wilden berokkenen, en daarom hebben zij zich tot hun eigen veiligheid bij hen gevoegd. Het is dwaasheid om met de God Israëls te willen strijden, en daarom is het wijsheid om zich aan Hem te onderwerpen.