Nehemia 10:32-39
Een verbond gemaakt hebbende tegen de zonden, waaraan zij schuldig waren geweest, gaan zij er nu toe over om zich te verbinden om de plichten te volbrengen, die zij hadden nagelaten. Wij moeten niet slechts ophouden met kwaad doen, maar leren goed doen.
I. Er werd in het algemeen besloten dat de tempeldienst zorgvuldig onderhouden zou worden, dat het werk van het huis van hun God op zijn tijd gedaan zou worden overeenkomstig de wet, vers 33. Laat de mensen geen zegen van God verwachten, tenzij zij er een gewetenszaak van maken om Zijn inzettingen waar te nemen en de openbare eredienst in stand te houden. Het zal dan waarschijnlijk wèl gaan met onze huizen, als er wordt zorggedragen dat het wel gaat met het werk van Gods huis. Er werd ook besloten dat zij het huis van hun God niet zouden verlaten, vers 39, zoals zij en hun vaderen gedaan hadden, het niet zullen verlaten voor het huis van een andere god, of voor de hoogten, zoals de afgodendienaars deden, het ook niet zullen verlaten voor hun hoeven of hun koopwaren, zoals zij deden, die atheïstisch en onheilig waren. Zij die de aanbidding Gods verlaten, verlaten God.
II. Ingevolge hiervan werd besloten dat zij de tempeldienst mild zouden onderhouden. De priesters waren bereid om het hun te doen in al het werk van Gods huis, als het volk het zijne zou doen, hetwelk bestond in hun materialen te bezorgen om mee te werken. Zo werd nu hier overeengekomen en besloten,
1. Om een fonds te stichten, waaruit Gods tafel en altaar overvloedig voorzien zouden worden. Vroeger waren er schatten in het huis des Heeren voor dat doeleinde, maar die waren weg, en er was geen bepaald fonds om hierin te voorzien. Er waren voortdurende uitgaven nodig voor de toonbroden op de tafel, er moesten twee lammeren zijn voor het dagelijkse offer, vier voor de sabbatdagen, andere en meer kostbare offers voor de feestdagen, bij sommige gelegenheden zondoffers en spijsoffers en drankoffers voor allen. Zij hadden geen rijke koningen om daarin te voorzien, zoals Hizkia gedaan heeft, de priesters konden het niet bekostigen, hun inkomen was te gering, het volk kwam dus overeen dat ieder van hen jaarlijks een derde van een sikkel zou bijdragen, dat is: ieder ongeveer vijftig cents van ons geld, om deze onkosten te bestrijden. Als iedereen wil handelen en iedereen wil geven voor een goed werk, al is het ook weinig, dan zal het hele bedrag aanzienlijk zijn. De tirsatha heeft die belasting niet opgelegd, maar het volk heeft het zelf tot een wet en instelling gemaakt, en heeft dus die belasting zichzelf opgelegd, vers 32, 33.
2. Dat er bijzonder zorg voor zou worden gedragen om in hout te voorzien voor het altaar, om er het vuur steeds brandende te houden, en om de dankoffers te koken. Ieder van hen, de priesters en Levieten zowel als het volk, kwam overeen om zijn bijdrage te leveren en zij wierpen het lot om te beslissen in welke orde zij die inbrengen zouden, welk gezin het eerst, en welk gezin vervolgens, opdat er een gestadige voorraad zou zijn, en er nooit schaarsheid zou wezen op de ene tijd, en te veel op een andere tijd, vers 34. Aldus voorzagen zij in het vuur en het hout, zowel als in de lammeren ten brandoffer.
3. Dat alles wat de wet Gods had voorgeschreven voor het onderhoud van de priesters en Levieten stipt betaald zou worden om hen aan te moedigen in hun werk, en zij niet in verzoeking zouden zijn om het te veronachtzamen, teneinde in het onderhoud van hun gezin te voorzien. Het werk van het huis Gods zal waarschijnlijk goed gedaan worden als zij die aan het altaar dienen, behoorlijk van het altaar kunnen leven. Eerstelingen en tienden waren toen de voornaamste bronnen van inkomst van de bedienaren van de Godsdienst, en zij besluiten hier:
a. De eerstelingen van hun grond en van hun geboomte stip in te brengen, Exodus 23:19, Leviticus 19:24, de eerstgeborenen van hun kinderen, het geld namelijk waarmee zij gelost moesten worden, en van hun vee, Exodus 13:2, 11, 12. Dit werd aan de priesters gegeven, Numeri 18:15-16. Ook de eerstelingen van hun deeg, Numeri i5:21, waaromtrent een bijzondere order gegeven is in de profetie betreffende de tweede tempel, Ezechiël 44:30.
b. Om evenzo hun tienden op te brengen, die de Levieten toekwamen, vers 37, en een tiende van deze tienden voor de priesters vers 38. Dit was de wet, Numeri 18:21-28 maar dit verschuldigde hadden zij teruggehouden, weshalve God hun door Zijn profeet ten laste legt, dat zij "Hem" "beroven, Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij." Maleachi 3:8, 9, hen terzelfder tijd aanmoedigende om rechtvaardiger te zijn jegens Hem en Zijn ontvangers, met een belofte dat, zo zij de tienden in het schathuis brengen, Hij zegen op hen zou afgieten, vers 10. Dit besluiten zij dan nu te doen opdat er spijze zij in Gods huis en overvloed in de schatkamers van de tempel, waar de vaten van het heiligdom waren, vers 39. Wij zullen het doen, zeggen zij, in al onze landbouwende steden, vers 37, in al de steden van onze dienstbaarheid, zo hebben het de LXX, want zij waren knechten in hun eigen land, Hoofdst. 9:36. Maar-zoals Dr. Poole terecht opmerkt-hoewel zij zware belastingen moesten opbrengen aan de koningen van Perzië en vele ontberingen hadden te lijden, wilden zij zich hiermede toch niet verontschuldigen om hun tienden te betalen, doch wilden God geven wat van God is, zowel als aan de keizer wat van de keizer is. Voor werken van Godsvrucht en barmhartigheid moeten wij doen wat wij kunnen in weerwil van de belastingen, die wij aan de regering hebben te betalen, en in onze dienstbaarheid blijmoedig onze plicht vervullen jegens God, en dat zal de zekerste weg zijn tot welvaart en vrijheid op Gods tijd.