6. Te dien dage, als vele volken tot den hoogverheven, verheerlijkten berg Zion zullen optrekken, en niet eerder, zo als gij u laat diets maken (
Hoofdstuk 2:12), spreekt de HEERE, zal Ik Mij over Mijn volk Israël weer ontfermen 1). Dan zal Ik haar 2), de dochter Jeruzalems, die hinkende was en in de ellende der verstrooiing zuchtte, a) verzamelen, en haar, die verdreven was, die door Mij om hare zonde onder de heidenen was verstoten, weer in haar land Kanaän vergaderen, en die Ik door Mijne zware gerichten geplaagd had.
a) Deuteronomium 30:3, 4, 5.
1) Ook het O. T. weet er van, dat het Israël naar het vlees eerst na de volheid der heidenen verootmoedigd en verslagen, in het rijk Gods zal ingaan. Waardoor wordt dat ingaan teruggehouden? Daardoor dat de Christenheid, in plaats van op Gods recht acht te geven en daardoor in vrede te leven, zich in veten en geestelijke oorlogen laat opwinden, en de zekerheid der goddelijke gerichten twijfelachtig maakt. 2) Het femin. wordt in `t Hebreeën dikwijls gebruikt in plaats van het neutrum, dat in deze taal ontbreekt en tevens om een collectiven zin uit te drukken. "De hinkende" betekent degenen, die evenmin uit zich zelf kracht hebben om zich tot den Heere te vergaderen, en, even zo min daartoe in de ogen der wereld vermogen bezittende, uitzien als lichamelijk lammen.
Het hinkende is het ellendige of de ellendigen, die in ballingschap verkeren. Gelijkluidend is het dan met hetgeen volgt, die verdreven waren. De Heere had Zijn volk geslagen, dat is gestraft. Maar Hij zou zich weer over Zijne ellendigen erbarmen. Hij zou weer zich openbaren als den God des heils, die des ontfermens niet moede was.
Is er een ogenblik in Zijn toorn, er is een leven in Zijn goedgunstigheid.