1. Niet in de nabijzijnde toekomst zo als uwe leugenprofeten u voor prediken, maar eerst als alle gerichten zijn volvoerd, en het rijk Gods daarna wordt volmaakt (
Hosea 3:5 Jesaja 2:2) in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN, Zion met Moria, ja de gehele heilige stad, in zo verre zij daarin haar middelpunt en hare goddelijke stichting heeft, zal vastgesteld zijn op den top der bergen. Zal hij door Gods gericht tot akkerveld en tot ene boschachtige hoogte worden veranderd (
Hoofdstuk 3:12), en zal ene nieuwe, buitengewone openbaring des Heeren, welke als vroegere openbaringen op den Sinaï en op hem zelven verre overtreft, plaats hebben, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, boven alles wat zich verheft, en nu zich veel hoger acht dan Zion, en de volken der gehele wereld, die tot hiertoe hun eigene wegen zonder God gingen, zullen dezen verhoogden berg Gods van verre zien, en even als de wateren der aarde, in hun verenigingsplaats, de zee, uit de verstrooiing tot hem, tot deze plaats der hoogste openbaring toevloeien.
Dit en de volgende twee verzen heeft Jesaja (Hoofdstuk 2:2-4) herhaald en tot uitgangspunt zijner gehele voorzegging van den weg der gerichten Gods, om van de valse tot de ware heerlijkheid Gods te komen. gemaakt. Ziet daar de uitvoerige uitlegging. Dat Jesaja deze woorden aan Micha ontleend heeft, en niet omgekeerd, of ook beiden aan enen derden onbekenden Profeet, kan om vele redenen voor ontwijfelbaar worden gehouden vgl. Jesaja 2:1 Hoe onafscheidelijker berg en rijk voor het Israëlietische oog waren, des te meer ligt het voor de hand, om op onze plaats de gedachte uitgesproken te zien: het rijk Gods zal in de toekomst boven alle rijken der wereld worden verhoogd. Nemen wij het gewone gebruik der bergen als beeld in aanmerking, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat niet alleen de verhoging oneigenlijk moet worden opgevat, dat ook de berg zelf voornamelijk naar zijne symbolische zijde moet worden beschouwd, als symbool van het rijk Gods onder Israël, waarbij wij toch zullen verwachten, dat bij het begin der voorstelling ten minste de zaak nog met het symbool zal verbonden zijn.
Wat in het allerheilige onder het Oude Testament nog verborgen was, is ons in Christus duidelijk geopenbaard, namelijk de God der genade en der zaligheid voor ons zondige mensen. Deze heerlijkheid gaat boven alle aardse heerlijkheid, zo er enige bij de heidenen geweest is.