8. En gij Migdal-Eder = Schaapstoren (
Nehemia 3:25 v.), die u hoog verheft boven Davids burcht op Zion, en aan ieder de heerschappij van Davids geslacht over de kudde Gods voor ogen stelt, gij Ofel (= hoogte) der dochter Zions! Op u heeft de Heere Zijne Zionsgemeente onder Davids huis gegrondvest. Wel zal spoedig het koningschap van Davids huis door Gods gericht worden vernietigd, gelijk ik boven (
Hoofdstuk 3:12) heb voorzegd, maar tot u zal komen, ja daar zal komen de vorige heerschappij ondanks alle hindernissen, zo als die onzer David en Salomo is geweest, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem, zodat de koninklijke heerschappij des Heeren over Zijn volk (
Vers 7) niet anders zal zijn dan de wederoprichting van Davids troon onder den Zoon van David in heerlijkheid. De uitleggers zijn het er allen over eens, dat de Schaapstoren zo ook de "vesting" of heuvel, Hebreeën Ofel, een zinnebeeld moet zijn van het koningschap van het huis van David, maar niet daarover, waar die zal hebben geleden. Een schaapstoren d. i. een sterke toren ter bescherming der herders tegen aanvallen of wilde dieren, wordt tussen Bethlehem en Bethel in de geschiedenis van Jakob (
Genesis 35:16) vermeld. Daar sloeg hij na den door zijner Rachel zijne tente op. Dat Micha dezen bedoelde, en dat die ongeveer daar zou hebben gelegen, waar later de Koningsburg op Zion door David gebouwd is, zodat deze toren als een overblijfsel van den ouden tijd in den burg is ingelijfd, is zeer onzeker. Daarentegen is het waarschijnlijker, dat Micha dezen hoofdtoren van den koningsburg op Zion eerst met dezen naam heeft bestempeld, tot een aandenken aan den toren bij Bethlehem, die beroemd was uit de geschiedenis der aartsvaders, daar "de stichter van het door God verkoren koningshuis, David, van een herder der schapen tot een herder van het volk Israëls, van de kudde van Jehova (
Jeremia 13:17) was geroepen. Deze benaming lag den Profeet zeer voor de hand, daar hij niet alleen in
Hoofdstuk 5:3 den Messias als Herder, maar ook in
Hoofdstuk 7:14 Israël als schapen van Jehova's erfdeel voorstelt. " Evenzo is het twijfelachtig, of de vesting of heuvel Ofel ene bepaalde plaats is. Wel werd later de zuidelijke helling van den tempelberg Moria met dien naam genoemd, zo als blijkt uit
2 Kronieken 27:3;
33:14. bevonden zich versterkingen, die tot in het Kedrondal reikten. Daar toch Micha onder dat Ofel een beeld van de koninklijke heerschappij van Davids huis wil doen verstaan, zo moet men aannemen, dat vroeger deze naam voor de gehele menigte heuvels, waarop de stad, de burg en de tempel lagen, gebezigd werd, en allengs alleen tot de helling van Moria werd bepaald.
Ene zeer merkwaardige voorzegging, geheel overeenstemmende met die van Hoofdstuk 5:1. Migdal-Eder was een wachttoren nabij Bethlehem (Genesis 35:21); misschien wel dezelfde plaats, waar de herders ten tijde van Jezus geboorte met hun kudden gelegerd waren. Ofel was ene zeer sterke plaats binnen Jeruzalem, in Micha's leeftijd door den koning Jotham nog aanzienlijk bevestigd (2 Kronieken 27:3). Migdal-Eder, de nederige schaapstoren nabij Bethlehem, wordt een Ofel voor Zions dochter, de onwinbare sterkte des volks, door de geboorte van den groten Heiland der natie aldaar.