Mattheus 8:18-22
Hier is:
I. Christus' vertrek naar de andere zijde van de zee van Tiberias, en Zijn bevel aan de discipelen, wier boten Hem volgden, om hun vaartuigen hiervoor in gereedheid te brengen, vers 18. De invloeden van deze Zon der gerechtigheid moesten niet tot ene plaats beperkt blijven, maar zich verspreiden over het ganse land. Hij moest het land doorgaan goeddoende, de nood der zielen riep Hem toe: Kom over en help ons, Handelingen 16:9. Toen Hij vele scharen rondom zich zag, vertrok Hij. Hieruit bleek, dat zij Hem aldaar begeerden, maar Hij wist, dat anderen ene even grote begeerte naar Hem hadden, en ook dezen moeten hun deel hebben van Zijne tegenwoordigheid, want dat Hij in de ene plaats den mensen aangenaam en nuttig was, was geen bezwaar tegen, maar ene reden voor Zijn heengaan naar ene andere plaats. Aldus stelde Hij de scharen, die Hem omringden, ook op de proef om te zien of hun ijver hen zou dringen, om Hem te volgen ten einde Hem te horen ook als Hij elders predikte. Velen zouden wel blijde zijn met zulke genademiddelen, als zij in hun nabijheid zijn, maar zouden zich de moeite niet willen getroosten, om er voor naar de andere zijde te gaan, en op die wij ze heeft Christus zich kunnen ontdoen van hen, die niet zo ijverig waren, en werden de anderen, wier ijver volkomen was, openbaar.
I. Het gesprek van Christus met twee personen, die, toen Hij "naar de andere zijde" vertrok, niet gaarne wilden achterblijven, maar genegen waren Hem te volgen, niet gelijk anderen, slechts van verre, of voor ene wijle, maar om in de inniger en gemeenzamer betrekking tot Hem te komen als discipelen, waarvan de meesten afkerig waren, want dit bracht ene stiptheid en strengheid van levenswijze met zich, die hun niet welgevallig waren. Hier is nu echter een bericht van twee personen, die in gemeenschap met Hem wilden komen, en toch niet in de rechte gezindheid hiertoe waren, hetgeen hier vermeld wordt als een voorbeeld van hindernissen, waardoor velen van Christus worden teruggehouden, en ene waarschuwing voor ons, om Christus zo van harte te volgen dat wij niet achterblijven, zodanig een fondament te leggen, dat ons gebouw er onwankelbaar op vaststaat. Wij zien hier Christus' wijze van handelen met twee verschillende karakters, het een vurig en ijverig, het andere loom en traag en treurig, en Zijn onderricht was passend en geschikt voor beiden, en tevens bestemd om ons nuttig te zijn.
1. Hier is dus iemand, die al te haastig was in het beloven, en hij was "een zeker schriftgeleerde", vers 19, een geleerde, een dergenen, die de wet bestudeerden en verklaarden. In het algemeen worden zij ons in de Evangeliën voorgesteld als mensen van alles behalve een goed karakter, gewoonlijk samengevoegd met de Farizeeën als vijanden van Christus en van Zijne leer. "Waar is de Schriftgeleerde?" 1 Corinthiërs 1:20. Zeer zelden volgt hij Christus, toch was er hier een, van wie men goede verwachting schijnt te kunnen hebben, dat hij een discipel van Christus zal worden, een Saul onder de profeten. Merk nu op:
a. Hoe hij zijne voortvarendheid te kennen geeft: "Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat", Ik weet niet hoe iemand beter had kunnen spreken. Zijne belofte van toewijding aan Christus is gul en grif, en schijnt uit zuivere neiging voort te komen. Hij is er door Christus niet toe geroepen, hij is er door geen der discipelen toe gedrongen of aangespoord: eigener beweging biedt hij zich aan als een trouw volger van Christus. Hij wordt tot den dienst niet geprest, hij is een vrijwilliger. Hij is ook zeer beslist, de zaak schijnt bij hem vast te staan. Hij zegt niet: "Ik zou wel lust hebben U te volgen", maar: "Ik zal U volgen, ik ben er vast toe besloten." Hij belooft dit ook zonder voorbehoud: "Ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat", niet slechts naar "de andere zijde" des lands, maar al was het ook tot aan het einde der wereld. Van een man als dezen zouden wij nu denken zeker te zijn: en toch blijkt uit Christus' antwoord, dat zijn besluit haastig, ondoordacht, en zijne bedoelingen armzalig, vleselijk waren. Hij heeft of in het geheel niet nagedacht, of niet nagedacht over de zaak waarover het ging. Hij zag de wonderen, door Christus gewrocht, hij hoopte, dat Hij een aards koninkrijk ging oprichten, en wilde zich bijtijds aanmelden om in de voordelen daarvan te delen. Er zijn velen van die opwellingen om Godsdienstig te zijn, welke voortkomen uit ene plotselinge en pijnlijke bewustheid van zonde, maar die, wijl er een diep en ernstig nadenken bij ontbreekt, op niets uitlopen: vroeg rijp, vroeg rot.
b. Hoe Christus de oprechtheid van dit besluit op de proef stelde, vers 20. Hij maakte Hem bekend, dat "de Zoon des mensen", dien hij zo bereid was te volgen, "niet heeft, waar Hij het hoofd neerlegge," vers 20. Ten opzichte nu van deze grote armoede van Christus merken wij op: Dat het op zich zelf vreemd is, dat de Zone Gods, zich, toen Hij in de wereld kwam, in zulk een nederigen toestand zou plaatsen, dat Hij gene plaats had om in te kunnen rusten, terwijl toch zelfs de geringste schepselen die hebben. Als Hij onze natuur wilde aannemen, dan zou men toch denken, dat Hij haar in den besten toestand en de gunstigste omstandigheden zou aannemen, maar neen, Hij neemt haar aan in haren treurigsten, ongunstigsten toestand. Zie hier, ten eerste. hoe goed er voor de geringere schepselen gezorgd is: "De vossen hebben holen", ofschoon zij niet alleen niet nuttig, maar schadelijk zijn voor den mens, toch voorziet God hen van holen, om er zich in te beschutten. De mens tracht hen te verderven en uit te roeien, maar hun holen zijn hun burchten, waarin zij veilig zijn. "De vogelen des hemels," zorgen niet voor zich zelven, maar worden toch verzorgd, en "hebben nesten," Psalm 104:17, nesten in het veld, en sommigen van hen in huis, in Gods voorhoven, Psalm 84:4. Ten tweede, hoe armelijk de Heere Jezus verzorgd was. Het kan ons aanmoedigen om op God te vertrouwen voor hetgeen ons nodig is, dat de dieren des velds en de vogelen des hemels zo goed verzorgd zijn, en zo wij gebrek hebben aan het nodige, kan het ons tot troost verstrekken, dat ook onze Meester dit gebrek heeft geleden. Toen onze Heere Jezus in deze wereld was, heeft Hij zich onderworpen aan den smaad en de ellende der uiterste armoede, "om onzentwil is Hij arm geworden," zeer arm, Hij had gene vaste woning, gene rustplaats, geen eigen huis, geen eigen hoofdkussen om er Zijn hoofd op neer te leggen. Hij en Zijne discipelen leefden van de liefdadigheid van welgezinden, die "Hem dienden, van hun goederen," Lukas 8:3. Aan dit alles heeft Christus zich onderworpen, niet slechts opdat Hij zich in alle opzichten zou vernederen en de Schriften vervullen, die van Hem spraken als "arm en nooddruftig," maar om ons de ijdelheid te tonen van aardsen rijkdom, ons te leren er op te zien met ene heilige minachting, opdat Hij betere dingen voor ons zou verkrijgen, en ons rijk zou maken. 2 Corinthiërs 8:9. Het is vreemd, dat bij deze gelegenheid zodanige verklaring werd afgelegd. Men zou gedacht hebben, dat, toen een schriftgeleerde zich aanbood om Christus te volgen, Hij hem aangemoedigd zou hebben, tot hem gezegd zou hebben: "Kom, en Ik zal voor u zorgen." Een schriftgeleerde zou Hem toch meer dienst kunnen bewijzen, Hem meer achting en aanzien bezorgd hebben, dan twaalf vissers, maar Christus zag in zijn hart en antwoordde op de gedachten, die er in omgingen, en hierin leert Hij ons allen hoe wij tot Christus moeten komen. Ten eerste: Het besluit van den schriftgeleerde scheen plotseling genomen, en Christus wil, dat wij, als wij belijdenis doen van den Godsdienst, neerzitten en de kosten overrekenen," Lukas 14:28, dat wij het zullen doen met verstand en na rijp beraad, dat wij den weg der Godzaligheid zullen kiezen, niet omdat wij geen anderen kennen, maar omdat wij geen beteren kennen. Het is voor den Godsdienst gene winste om de mensen, als het ware, te overrompelen, eer zij er op bedacht zijn. Zij, die door den drang van benauwdheid, of gewetensangst den Godsdienst belijden, zullen hem uit verdrietelijkheid wederom laten varen. Laten zij dus den tijd er voor nemen, dan zullen zij er des te eerder mede gereed zijn. Laat hij, die Christus wil volgen, goed weten welk ongemak en welke ontberingen dit meebrengt, laat hij verwachten ene harde legerstede en grof voedsel te hebben. Ten tweede: Zijn besluit schijnt uit een werelds, geldgierig beginsel te zijn voortgekomen. Hij zag de menigte van genezingen door Christus gewrocht, en maakte hieruit op, dat Hij hiervoor ene ruime beloning ontving en spoedig rijk zou zijn. Daarom wilde Hij hem volgen, teneinde met Hem rijk te worden. Maar Christus verbetert zijne misvatting en zegt hem, dat Hij, wel verre van rijk te worden, gene plaats had om er Zijn hoofd neer te leggen, en dat, zo hij Hem volgde, verwachten moest het niet beter te zullen hebben. Christus wil niemand van hen tot volgeling hebben, die werelds voordeel op het oog hebben met Hem te volgen, of die iets anders dan den hemel van hun Godsdienst verwachten. Wij hebben reden om te denken, dat deze schriftgeleerde hierop "bedroefd wegging", teleurgesteld in zijne verwachting van gewin. Hij is niet geneigd Christus te volgen, tenzij hij er voordeel van kan hebben.
2. Hier is een ander, die traag is in het volgen. Uitstel in plichtsbetrachting is even verkeerd, als haast of overijling in het nemen van een besluit. Als wij den tijd hebben genomen tot nadenken, laat het dan nooit gezegd kunnen worden, dat wij tot morgen hebben uitgesteld, wat wij heden hadden kunnen doen. Deze kandidaat tot de Evangelie-bediening was reeds een van Christus' discipelen, vers 21, een volgeling van verre. Clemens van Alexandrië verhaalt ons, dat, volgens ene oude overlevering, dit Filippus geweest is. Hij scheen van betere gezindheid te zijn geweest dan de eerste, daar hij niet zoveel zelfvertrouwen had. Een overmoedig, al te voortvarend karakter belooft niet veel voor een Godzalig leven, soms zijn de laatsten de eersten, en de eersten de laatsten. Let hier nu op:
a. De verontschuldiging, die deze discipel aanvoerde om Christus niet onmiddellijk te volgen, vers 21. "Heere! laat m ij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave. Laat het mij, eer ik voor goed en in alles Uw volgeling word, vergund zijn, om mijn vader dit laatste blijk van eerbied en achting te geven, en laat het intussen genoeg zijn, dat ik nu en dan Uw hoorder ben, als ik er den tijd voor heb." Zijn vader was thans ziek, of stervende, of reeds gestorven. Anderen denken, dat hij slechts hoogbejaard was, en naar den loop der natuur, waarschijnlijk niet lang meer te leven had. Hij wenste dus verlof om hem in zijne ziekte te verzorgen, bij zijn sterven tegenwoordig te zijn, en hem te vergezellen naar het graf. Daarna zal hij zich aan den dienst van Christus wijden. Dit scheen een redelijk verzoek, en toch was het niet recht. Hij bezat den ijver niet voor het werk, dien hij behoorde te hebben, en daarom kwam hij met dit verzoek aan, wijl het zo billijk scheen te zijn. Een onwillig hart is nooit om ene verontschuldiging verlegen. Gebrek aan tijd wil dikwijls zeggen gebrek aan lust of neiging. Laat ons veronderstellen, dat zijn verzoek werkelijk voortkwam uit kinderlijke genegenheid en eerbied voor zijn vader, maar dan had Christus toch de voorkeur moeten hebben. Velen worden afgehouden van of gehinderd in den weg van ernstige Godsvrucht door een al te grote zorge voor hun gezin of hun bloedverwanten. Deze, op zich zelf wettige en geoorloofde dingen, nemen dan al te veel van onzen tijd en onze krachten in beslag. Onder voorwendsel van aan onze verplichtingen tegenover de wereld te voldoen, veronachtzamen en verschuiven wij onzen plicht jegens God, het is ons dus zeer nodig hier vooral op onze hoede te zijn.
b. Christus' afwijzing van die verontschuldiging, vers 22. "Jezus zei tot hem: Volg Mij", en ongetwijfeld ging dit woord tot hem, evenals tot anderen, vergezeld van kracht. Hij heeft Christus gevolgd en heeft Hem aangekleefd, zoals Ruth aan Naomi, terwijl de schriftgeleerde, in de voorafgaande verzen, Hem verliet, zoals Orpa Naomi verliet. De eerste had gezegd: "Ik zal U volgen", tot den tweede zei Christus: "Volg Mij." Die twee nu met elkaar vergelijkende, leren wij hieruit, dat wij tot Christus gebracht worden door de kracht Zijner roeping van ons en niet door onze beloften aan Hem, het is niet "desgenen die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods", Romeinen 9:16. Hij roept wie Hij wil. En voorts moet men hier op letten, dat, hoewel de uitverkorenen met verontschuldigingen aankomen, en gedurende langen tijd aarzelen en uitstellen om de roeping Gods te volgen, Christus ten laatste toch hun voorwendsels zal te niet doen, en hun onwilligheid zal overwinnen en hen aan Zijne voeten zal brengen. Als Christus roept, zal Hij aan die roeping kracht bijzetten. 1 Samuël 3:10. Zijne verontschuldiging wordt afgewezen als ongeldig: "Laat de doden hun doden begraven. Dit is ene spreekwoordelijke uitdrukking. Laat de ene dode den andere dode begraven, dat is: laten zij veeleer onbegraven blijven liggen, dan dat de dienst van Christus veronachtzaamd zou worden. Laten de geestelijke doden de lichamelijke doden begraven, laten wereldse bedieningen aan wereldse mensen overgelaten worden, gij moet er u niet mede bezwaren of belasten. Het begraven van doden, inzonderheid van een doden vader, is een goed werk, maar thans is dit uw werk niet: het kan even goed door anderen verricht worden, die niet, gelijk gij, tot Mijn' dienst geroepen of bevoegd zijn, gij hebt wat anders te doen, en moogt dit niet uitstellen." Gehoorzaamheid aan, en liefde jegens, God, gaan voor liefde en eerbied jegens ouders, hoewel ook dezen een onmisbaar deel uitmaken van onzen Godsdienst. Onder de wet was het den Nazareeërs verboden rouw te dragen over hun ouders, omdat zij "den Heere heilig zijn", Numeri 6:6-8, en ook de hogepriester mocht "bij gene dode lichamen komen", zelfs "over zijn vader mocht hij zich niet verontreinigen," Leviticus 21:11, 12. En Christus eist van hen, die Hem willen volgen, dat zij "hun vader en moeder haten". Lukas 14:26, hen minder lief zullen hebben dan God. Vergelijkenderwijs gesproken moeten wij onze naaste bloedverwanten veronachtzamen en als niets achten, als zij in mededinging komen met Christus, en wij dus voor de keus staan om voor hen of voor Hem iets te doen of iets te lijden.