Mattheus 2:9-12
Hier hebben wij het nederig dienstbetoon der wijzen jegens dezen pas geboren Koning der Joden, en de ere, die zij Hem toebrachten. Van Jeruzalem gingen zij naar Bethlehem, vastbesloten om te zoeken totdat zij zouden gevonden hebben, maar het is zeer vreemd, dat zij alleen gingen, dat niemand van het hof, van de kerk, of uit de stad hen vergezelde. Indien zij al niet door hun geweten hiertoe gedrongen werden, dan had toch beleefdheid jegens deze vreemdelingen, of wel nieuwsgierigheid om dien jongen vorst te zien, hen hiertoe moeten bewegen. Gelijk de koningin van het Zuiden, zo zullen deze wijzen uit het Oosten in het gericht opstaan tegen dat geslacht, en hen veroordelen, want zij kwamen van een ver land, om Christus te aanbidden, terwijl de Joden, Zijne nabestaanden, geen voetstap wilden doen, zich niet naar de naastbij gelegen stad wilden begeven, om Hem welkom te heten. Het zou voor deze wijzen wel ene ontmoediging hebben kunnen zijn, om Hem, dien zij zochten, in Zijn eigen land zo veronachtzaamd te zien. Zijn wij van zo verre gekomen om den Koning der Joden te eren, en behandelen de Joden zelven Hem en ons met zoveel minachting? Toch volharden zij in hun voornemen. Wij moeten in ons dienen van Christus volharden, al zouden wij hierin ook alleen staan, wat anderen ook mogen doen, wij moeten den Heere dienen. Willen zij niet met ons naar den hemel gaan, wij moeten met hen niet naar de hel gaan. Ziet nu:
I. Hoe zij Christus vonden door diezelfde ster, welke zij in hun eigen land gezien hadden, vers 9, 10. Merk op,
1. Hoe genadiglijk God hen heeft geleid. Door de eerste verschijning der ster werd hun te verstaan gegeven, waar zij naar dezen Koning onderzoek konden doen, en toen verdween zij, en werden zij overgelaten aan de gewone wijze van doen, die bij zulk een onderzoek wordt gevolgd. Merk op, dat geen buitengewone hulp verwacht moet worden, waar de gewone middelen volstaan kunnen. Zij hadden nu de zaak zo ver zij konden nagespeurd. Zij waren op weg naar Jeruzalem, maar dat is ene volkrijke stad, waar zullen zij Hem vinden, als zij daar zullen zijn aangekomen? Zij weten niet wat te doen, zij staan verlegen, maar Zij geloven, dat God, die hen door Zijn woord tot hiertoe geleid heeft, hen nu niet zal verlaten, en dat deed Hij ook niet, want ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor. Als wij op den weg des plichts gaan zo ver als wij kunnen, dan zal God ons leiden en ons in staat stellen te doen, wat wij uit ons zelven niet zouden hebben kunnen doen. Sta op, en werk, en de Heere zal met u zijn. Vigilantibus, non dormientibus, succurrit lex -Niet aan de vadsigen, maar aan de ijverigen verleent de wet hare hulp. De ster had hen voor een langen tijd verlaten, maar keert nu terug. Zij, die God volgen in het duister, zullen bevinden, dat licht gezaaid, en voor hen bewaard is. Israël werd door ene vuurkolom naar het Beloofde Land geleid, de wijzen werden door ene ster naar het beloofde Zaad geleid, die zelf de blinkende Morgenster is, Openbaring 22:16. God zou veeleer iets nieuws scheppen dan hen in verlegenheid te laten, die Hem naarstiglijk en getrouwelijk hebben gezocht. Deze ster was het teken, dat God met hen was, want Hij is licht, en gaat als Gids voor Zijn volk uit. Indien wij door het geloof God zien op al onze wegen, dan kunnen wij ons zelven zien onder Zijn geleide, Zijn oog is op ons, en Hij zegt: Dit is de weg, wandelt in dezelve, en er is ene morgenster, die opgaat in het hart van hen, die naar Christus vragen, 2 Petrus 1:19. Merk op hoe vreugdevol zij Gods leiding volgen, (vers 10). Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met grote vreugde. Nu zagen zij, dat zij zich niet bedrogen hadden, en deze lange reize niet te vergeefs hadden ondernomen. De begeerte, die komt, is een boom des levens. Nu waren zij er zeker van, dat God met hen was, en het kan niet anders, of de tekenen van Zijne tegenwoordigheid en gunst moeten de ziel van hen, die ze weten te waarderen, met onuitsprekelijke blijdschap vervullen. Nu konden zij de Joden te Jeruzalem belachen, die zeer waarschijnlijk om hen gelachen hadden als op ene dwaze onderneming uit zijnde. De wachters kunnen aan de bruid gene tijding geven van haren geliefde, toch is zij slechts een weinigje van hen weggegaan en zij vindt Hem reeds. Hooglied 3:3, 4. Wij kunnen niet te weinig verwachten van den mens, en niet te veel van God. In welk ene vervoering van blijdschap deze wijzen op het gezicht dezer ster waren, weet niemand zo goed als diegenen, welke na een' langen, treurigen nacht van verzoeking en verlating onder de macht van een geest der dienstbaarheid, eindelijk den geest der aanneming ontvangen, die getuigt met hun geest, dat zij kinderen Gods zijn, dit is het licht uit de duisternis, dit is het leven uit de doden. Nu hadden zij reden om te hopen, dat zij weldra den Christus des Heren zouden zien, de Zon der Gerechtigheid, want zij zien de Morgenster. Wij behoren blijde te zijn met alles wat ons den weg wijst naar Christus. Deze ster was gezonden om de wijzen naar de audiëntie-zaal des Konings te geleiden, door dezen ceremoniemeester werden zij binnen geleid voor hun audiëntie. Nu vervult God Zijne belofte om den vrolijke te ontmoeten en die gerechtigheid doet. (Jesaja 64:5), en zij doen naar Zijn voorschrift: Het hart dergenen, die den Heere zoeken, verblijde zich, Psalm 105:3. Het behaagt God somwijlen pas bekeerden te bevoorrechten met zulke tekenen van Zijne liefde, die zo zeer geschikt zijn om hen te bemoedigen met betrekking tot de moeilijkheden, die zij ontmoeten, zodra zij zich op den weg Gods begeven.
II. Let op de wijze, waarop zij zich tot Hem richten nadat zij Hem hadden gevonden, vers 11. Wij kunnen ons voorstellen, dat zij verwachten, dat dit koninklijke Kindeken, hoewel veronachtzaamd door het volk, te huis toch vorstelijk omringd en bediend zou zijn. Welk ene teleurstelling was het hun dus te bevinden, dat ene armelijke woning Zijn paleis was, en Zijn gehele gevolg slechts uit Zijne arme moeder bestond! Is dit de Zaligmaker der wereld? Is dit de Koning der Joden? ja meer, is dit de Koning van de koningen der aarde? Ja, dat is Hij, die, hoewel Hij rijk was, om onzentwil dus arm is geworden. Deze wijzen waren echter wijs genoeg om door dezen sluier heen te zien, en in dit geminachte Kindeke de heerlijkheid te onderkennen als des eniggeborenen van den Vader. Zij achtten niet teleurgesteld te zijn in hun onderzoek, maar den Koning, dien zij zochten, gevonden hebbende, hebben zij Hem eerst zich zelven voorgesteld, en daarna hun geschenken Hem aangeboden.
1. Zij hebben Hem zich zelven voorgesteld, zij vielen neer, en aanbaden Hem. Wij lezen niet, dat zij Herodes deze ere hebben bewezen, hoewel hij op het toppunt was van koninklijke macht en majesteit, maar aan dit Kindeken betoonden zij die ere, niet slechts als aan een' koning (want dan zouden zij ook evenzo bij Herodes gehandeld hebben), maar als aan God. Merk op, dat allen, die Christus hebben gevonden, voor Hem neervallen, zij aanbidden Hem.
Dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer. Het zal de wijsheid zijn van de wijsten der mensen, en hieruit zal blijken, dat zij Christus kennen, en zich zelven en hun ware belangen begrijpen, als zij de ootmoedige, getrouwe aanbidders van den Heere Jezus zijn.
2. Zij boden Hem hun gaven aan. Als Oosterse volken hun koningen hulde doen, geven zij hun geschenken, op die wijze wordt van de onderwerping der koningen van Scheba aan Christus gesproken, (Psalm 72:10). Zij zullen geschenken aanbrengen en vereringen toevoeren. Zie Jesaja 60:6. Wij moeten ons zelven met alles wat wij hebben aan Jezus Christus overgeven, en zo wij oprecht zijn in onze overgave aan Hem, dan zullen wij gewillig afstand doen van wat ons het dierbaarst is en het kostelijkst, aan Hem en voor Hem, maar onze gaven zijn Hem niet welbehaaglijk, en worden niet door Hem aangenomen, indien wij niet eerst ons zelven Hem als levende offeranden hebben aangeboden. God zag Habel aan, en toen zag Hij ook zijn offer aan. De geschenken, die zij aanboden, waren goud, wierook en mirre, geld en geldswaarde. De voorzienigheid zond dit als ene tijdige hulp aan Jozef en Maria in hun tegenwoordigen armoedigen toestand. Het waren de voortbrengselen van hun eigen land, waar God ons mede bevoorrecht, daar moeten wij Hem mede eren. Sommigen denken, dat er betekenis school in hun gaven, zij boden Hem goud als koning, Hem schatting betalende, den keizer, wat des keizers is, wierook als God, want zij eerden God met den rook van reukwerk, en mirre, als een Mens, die zou sterven, want mirre werd gebruikt voor het balsemen van lijken.
III. Zie, hoe zij Hem verlieten, na zich tot Hem te hebben gewend, vers 12. Herodes had hun gezegd hem te boodschappen wat zij ontdekt hadden, en waarschijnlijk zouden zij dit ook gedaan hebben, indien zij geen tegenbevel hadden ontvangen, want zij vermoedden niet, dat Herodes hen als werktuigen voor zijne boze plannen wilde gebruiken. Aan hen, die zelven eerlijke bedoelingen hebben, kan men licht doen geloven, dat anderen even eerlijk zijn, zij kunnen niet denken, dat de wereld zo slecht is, als zij werkelijk is, maar de Heere weet de Godzaligen in de verzoeking te verlossen. Wij zien niet, dat de wijzen aan Herodes beloofd hebben terug te zullen komen, en indien zij dit al gedaan hadden, dan zou dit toch met het gewone voorbehoud zijn geweest: Zo God wil. God heeft het niet gewild, en Hij voorkwam het kwaad, dat Herodes tegen het Kind Jezus beraamd had, en de moeilijkheid, die er voor de wijzen uit voortgekomen zou zijn, indien zij er de onwillekeurige werktuigen voor geweest waren. Zij werden door God gewaarschuwd -oraculo vel responso accepto, door ene Godsspraak vermaand. Sommigen denken, dat hierin ligt opgesloten, dat zij God om raad vroegen, en dat dit Zijn antwoord was. Zij, die omzichtig handelen, en bevreesd zijn voor zonde en voor valstrikken, kunnen, als zij zich tot God wenden om leiding en voorlichting, verwachten, dat zij op den rechten weg geleid zullen worden. Zij werden door Goddelijke openbaring vermaand, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, noch naar Jeruzalem. Zij, die met hun eigene ogen hadden kunnen zien, maar niet wilden zien, waren niet waardig berichten omtrent Christus te ontvangen. Zij vertrokken door een anderen weg weer naar hun land, om de tijding aan hun landslieden te brengen, maar het is vreemd, dat wij nooit meer van hen horen, en dat noch zij, noch de hunnen Hem nooit in den tempel hebben vergezeld, dien zij in de kribbe hebben aangebeden. Evenwel, de leiding, die zij van God ontvingen voor hun terugkeer, was ene bevestiging van hun geloof in dit Kindeken, als den Heere van den hemel.