Mattheus 26:31-35
Wij hebben hier Christus' gesprek met Zijne discipelen op den weg, toen zij naar den Olijfberg gingen, waarin wij opmerken:
I. Ene voorzegging van de beproeving, door welke Hij en de discipelen thans heengingen. Hij voorzegt:
1. Een ontzettenden storm, die een verstrooiende uitwerking zal hebben, vers 31. Dat zij allen aan Christus in dezen nacht geërgerd zullen worden, dat is, dat zij door het lijden zo verschrikt en ontroerd zullen zijn, dat zij den moed niet zullen hebben om Hem onder dat lijden te blijven aankleven, maar Hem allen laaghartig zullen verlaten. Aan mij dezen nacht: en emoi en teinukti tautei -vanwege Mij, zelfs vanwege dezen nacht, aldus zou men dit kunnen lezen, dat is: vanwege hetgeen Mij dezen nacht zal geschieden. In een ure van beproeving en verzoeking zullen er onder de discipelen van Christus ergernissen ontstaan, het kan niet anders of dit zal zo wezen, want zij zijn zwak, en Satan is ijverig aan het werk. God laat ergernissen toe, zelfs zij wier hart oprecht is, kunnen soms door ene ergernis verrast, als overvallen worden. Er zijn verzoekingen en ergernissen, waarvan de uitwerkselen algemeen zijn onder Christus' discipelen: Gij zult allen geërgerd worden. Christus had hun zo-even het verraad van Judas ontdekt, maar laat de anderen niet gerust zijn, zich niet veilig achten, hoewel er slechts een verrader zal zijn, zullen zij allen verlaters zijn. Dit zei Hij om hen op te schrikken, opdat zij zouden waken. Wij moeten ons voorbereiden op plotselinge beproevingen, die in een kleine wijle tijds tot het uiterste kunnen komen. Christus en Zijne discipelen hadden wel tezamen in vrede en rust hun avondmaaltijd gebruikt, en toch bleek de nacht, die er op volgde, een nacht van zo grote ergernis te zijn. Hoe snel kan een storm opsteken! Wij weten niet wat een dag, of een nacht, kan opleveren, noch welke grote gebeurtenis in den schoot van een kleinen tijd kan verborgen zijn, Prediker 27:1. Het kruis van Christus is het grote struikelblok voor velen, die voor Zijne discipelen doorgaan zowel het kruis, dat Hij voor ons heeft gedragen, 1 Corinthiërs 1:23, als dat, hetwelk wij te dragen hebben voor Hem, Hoofdstuk 16:24. Dat hierin de Schrift zal vervuld worden: Ik zal den herder slaan. Dit is ene aanhaling uit Zacharia 13:7. Hier is dit slaan van den Herder in het lijden van Christus. God doet het zwaard Zijn toorns ontwaken tegen den Zoon zijner liefde, en Hij wordt geslagen. Daarop, het verstrooien der schapen in de vlucht der discipelen. Toen Christus in de handen Zijner vijanden is gevallen, vloden Zijne discipelen, de een hierheen, de ander daarheen, ieder zorgde voor eigen lijfsbehoud, en gelukkig was hij, die het verst van het kruis was.
2. Hij geeft hun het vooruitzicht van weer lieflijk bijeen vergaderd te worden na dien storm, vers 32, Nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan. Gij zult Mij wel verlaten, maar Ik zal u niet verlaten, gij zult wèl vallen, maar Ik zal er voor zorgen, dat dit vallen geen afval worden zal. Wij zullen elkaar wederzien in Galilea, Ik zal u voorgaan, zoals de herder voor zijne schapen heengaat. Sommigen maken de laatste woorden van deze profetie tot ene belofte, die hiermede gelijk staat, Zacheria 13:7, Ik zal Mijne hand tot de kleinen wenden. Zij kunnen niet anders teruggebracht worden, dan doordat Hij Zijne hand tot hen wendt. De overste Leidsman onzer zaligheid weet Zijne troepen te herzamelen, als zij door hun lafhartigheid in wanorde uit elkaar zijn geraakt. II. De vermetele waan van Petrus, dat hij bij zijne oprechtheid wel zal volharden, wat er dan ook mocht gebeuren, vers 33. Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. Petrus had een grote mate van zelfvertrouwen, en was bij alle gelegenheden vooraan in het spreken, inzonderheid voor zich zelven. Soms was dit goed voor hem, maar soms heeft het hem zeer slechten dienst bewezen, zoals ook nu. Merk op:
1. Hoe hij zich verbond door ene belofte, dat hij nooit geërgerd zou worden aan Christus, niet slechts dezen nacht niet, maar nooit. Indien deze belofte gedaan was in ootmoedige afhankelijkheid van Christus' genade, dan zou dit een voortreffelijk woord geweest zijn. Voor het Avondmaal des Heeren heeft Christus' woord Zijne discipelen er toe gebracht zich zelven te onderzoeken met een: Ben ik het, Heere? Want dat is een voorbereidende plicht, na de inzetting leidt Zijne rede er hen toe om zich te verbinden tot een nauwgezetten wandel, want dat is de volgende plicht.
2. Hoe hij zich beter gewapend acht tegen verzoeking dan ieder ander, en dit was zijne zwakheid en dwaasheid. Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. Dit was erger dan Hazaels: Wat! is uw knecht een hond? Want hij dacht de zaak zo slecht te zijn, dat geen mens haar doen zou. Maar Petrus acht het mogelijk, dat sommigen, ja, dat allen geërgerd zouden kunnen worden, maar dat hij beter dan iemand anders aan die zonde zou ontkomen. Het toont een grote mate van zelfmisleiding om ons zelven of veilig te wanen tegen verzoeking, of vrij van het bederf, dat in alle mensen gevonden wordt. Wij moesten veeleer zeggen: Als het mogelijk is, dat anderen geërgerd kunnen worden, dan is er gevaar voor mij ook. Maar het is iets gans gewoons, dat zij, die al te goede gedachten koesteren van zich zelven, zeer gemakkelijk er toe overgaan om anderen te verdenken, Galaten 6:1.
III. De bijzondere waarschuwing van Christus aan Petrus omtrent hetgeen hij doen zou, vers 34. Hij waande, dat hij beter dan iemand hunner bestand zou zijn tegen de verzoeking, en Christus zegt hem, dat hij er veel minder tegen bestand zijn zal. De waarschuwing wordt ingeleid met een plechtige verzekering: Voorwaar Ik zeg u, neem er Mijn woord voor, die u beter ken, dan gij uzelven kent. Hij zegt hem:
1. Dat hij Hem zal verloochenen. Petrus beloofde, dat hij niet aan Hem geërgerd zal worden, dat hij Hem niet za1 verlaten, maar Christus zegt hem, dat hij nog verder zal gaan, dat hij Hem zal verloochenen. Hij, Petrus, zei: Al zouden het ook alle mensen doen, ik niet, en hij deed het eerder dan de anderen.
2. Hoe spoedig hij dit doen zou, dezen nacht, voor morgen, ja, eer nog de haan kraait. Satans verzoekingen worden vergeleken bij pijlen, Efeze 6:16, die wonden, eer wij het weten. Gelijk wij niet weten hoe nabij ramp of benauwdheid voor ons is, zo weten wij ook niet hoe na wij er aan toe zijn om te zondigen. Als God ons aan ons zelven overlaat, zijn wij altoos in gevaar.
3. Hoe dikwijls hij dit doen zou, driemaal. Hij dacht, dat hij nooit, geen enkele maal, zo iets zou doen: maar Christus zegt hem, dat hij het telkens en nog eens zou doen, want als onze voeten eens beginnen uit te glijden, dan is het moeilijk om weer in een staande houding te komen. Het begin van zonde is, evenals het begin des krakeels, gelijk een, die het water opening geeft. IV. Petrus' herhaalde verzekering van zijne trouw, vers 35, Al moest ik ook met U sterven. Hij veronderstelde, dat de verzoeking sterk zou zijn toen hij zei: Al zouden allen het doen, ik zal het niet doen. Maar hier veronderstelt hij haar nog sterker, als hij er levensgevaar bij denkt: Al moest ik ook met U sterven. Hij wist wat hij doen zou, veeleer sterven dan Christus verloochenen, dit was de voorwaarde van zijn discipelschap, Lukas 14:26, en hij dacht wat hij zou willen -nooit ontrouw worden aan zijn Meester, hoe duur dit hem ook te staan zou komen, en toch bleek het dat hij ontrouw was. Het is gemakkelijk om stout en met zorgeloze minachting van den dood te spreken, als hij nog ver is. Ik wil liever sterven dan zo iets doen, maar het is niet zo spoedig gedaan als gezegd, als het er op aan gaat komen en de dood zich in zijn eigen kleuren vertoont. De overigen stemden in met hetgeen Petrus zei. Desgelijks zeiden ook al de discipelen. Er is in Godvruchtige mensen ene neiging om groot vertrouwen te hebben in hun eigen kracht en standvastigheid. Wij zijn gans gereed om ons zelven instaat te achten om tegen de sterkste verzoekingen te worstelen, den zwaarsten en gevaarlijksten dienst te verrichten, en, om Christus' wil, de grootste beproevingen te verdragen, maar het is, omdat wij ons zelven niet kennen. Diegenen vallen het spoedigst en het diepst, die het meest op zich zelven hebben vertrouwd. Die het meest gerust zijn, zijn het minst veilig. Satan is zeer ijverig in de weer om dezulken te verleiden, zij zijn het minst op hun hoede, en God laat hen aan hen aan hen zelven over om hen te verootmoedigen, 1 Corinthiërs 10:12.