58. En Hij heeft daar niet vele krachten gedaan, slechts weinige zieken, voor wie men hulp verlangde, legde Hij de handen op, want vanwege hun ongeloof was het Hemonmogelijk, Zich op zo'n heerlijke wijze te openbaren, als Hij dit anders zou hebben gedaan. Het is de vraag of het oponthoud van Jezus te Nazareth, hier en in
Markus 6:1vv. vermeld, hetzelfde is als dat in
Lukas 4:16vv. bericht is. Wanneer wij er niet op letten, dat Jezus beide malen in de synagoge en, wat daarmee samenhangt, op den Sabbat optrad, terwijl Hij in geheel verschillende mate werd tegengesproken, dan is er niets anders, dat daarvoor spreekt, dan dat Hij beide malen het spreekwoord op Zich toepast van de profeet, die in zijn vaderland geen eer vindt. Maar waarom zou Hij dat niet tweemalen hebben gedaan, omdat de aanleiding beide malen daartoe bestond? Ook is het hier inderdaad nog enigzins anders, want hier worden naast het vaderland nog de bloedverwanten en Zijn huis vermeld, en zo wil Jezus tegelijk de reden geven, waarom Zijn broeders ook in Hem gelovig zijn geworden (hoofdstuk . 12:46vv.
Johannes 7:5). Wanneer Jezus bij het oponthoud in Nazareth, dat Lukas bericht, met de dood bedreigd werd, werd Hij daardoor wel gedwongen tot de vlucht naar Kapernaüm, maar kon het Hem verhinderen na die tussenruimte zo vol betekenis en zo rijk in daden van een geheel jaar (Wieseler, aan wie wij deze uiteenzetting ontlenen heeft: "na die drie weken zo rijk in daden, " dat met zijn valse chronologische opvatting van het leven van Jezus samenhangt); de prediking opnieuw in Nazareth te beproeven? Hoe dikwijls is Hij toch niet naar Jeruzalem gegaan, waar het gevaar toch oneindig veel groter was! Al het andere spreekt ook zeer beslist voor twee verschillende gebeurtenissen. " - Niet alleen de tijd, zo gaan wij met Riggenbach verder voort, maar ook de woorden en het gevolg wijzen ons vooruitgang aan tegenover de eerste maal. Ditmaal komt Jezus met Zijn discipelen midden uit de drukte van Zijn werkzaamheden, en alzo moeten de Nazareners niet alleen Zijn wijsheid erkennen, maar ook Zijn wonderen, die Hij alom verricht heeft, hoewel Hij bij henzelf vanwege hun ongeloof, al is het ook wel niet "in het geheel geen", toch "bijna geen" kan verrichten. Maar nog eens verharden zij zich door het onveranderlijk vooroordeel wegens Zijn familie; ook de zusters stellen zij nu tegen Hem; Zijn broeders geloven niet eens in Hem. Zo herhaalt het opgeblazen ongeloof met de hardnekkigheid van betweterij, de grote woorden, waarmee het ene zaak gewoon is af te wijzen. Wanneer het nu niet komt tot een voornemen om Hem te doden, zo is de stompzinnigheid des te beklagenswaardiger, die zich niet laat overwinnen door het overal verbreide aanzien, dat de Heere reeds door woord en daad heeft gewonnen. Daarom verwondert Hij Zich over hun ongeloof (
Markus 6:6), zoals van het tegendeel, van het grote geloof van de heidense hoofdman gezegd wordt, dat Hij Zich daarover verwondert (hoofdstuk . 8:10). Daarom luidt ook het oordeel van de Heere nog scherper dan de eerste keer. Toen toch zei Hij: "geen profeet is aangenaam in zijn vaderland" (
Lukas 4:24), maar nu: "een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland en in zijn huis" (
Markus 6:4). De profeet heeft een zijde van huiselijke alledaagsheid, ja zelfs van zondige zwakheid aan zich, die voor zijn naaste het meest openbaar is; aan Jezus kleven zulke gebreken niet, die het zouden kunnen verklaren, waarom Hij in Zijn vaderland minder geloof vond dan ergens elders; alleen de ootmoed van Zijn gedaante als dienstknecht, doet Hem ditzelfde lot delen. De smaad komt echter geheel terug op het dwaze geslacht, dat in het geheel niet bedenkt, hoe het zichzelf oneer aandoet door het oordeel: uit onze kring kan niets goeds voortkomen.
Evenals in andere gewaarwordingen van het menselijk hart, zo merkt Menken op, zo is Jezus ook in het gevoel van liefde voor volk en vaderland en in bijzondere gehechtheid aan de vaderstad aan Zijn broeders gelijk geworden. Waarom zou Hij nu, omdat voor een andere plaats in Galilea niets sprak, dat hoger was en waaraan dit gevoel ondergeschikt zou hebben moeten blijven, en waarvoor het zou hebben moeten wijken, niet daarheen moeten gaan? Een ander was in Zijne plaats niet weer vrijwillig daarheen gegaan; voor die zou het kleine, arme Nazareth en de herinnering aan een behoeftige kindsheid en jeugd niet aangenaam geweest zijn. En nog een ander zou met haat, of zelfs met verachting en koudheid aan Nazareth hebben gedacht, wanneer hij daar eens zo was behandeld, als Jezus daar bij Zijn eerste optreden en werken behandeld werd. Hem was echter Nazareth ruim en rijk genoeg, en Zijn kindsheid en jeugd, hoe behoeftig zij ook naar het vlees was, was toch rijk en zoet en zalig genoeg geweest naar de Geest. De beledigingen, de verachting, de hoon, de haat, die Hij later ondervond, had Hij reeds lang vergeven en vergeten, en Hij had niet opgehouden de plaats en de mensen lief te hebben. Met deze liefde in het hart trok Hij weer daarheen, wensende dat Hij hun hart mocht open vinden voor het heil, dat Hij hun wilde brengen.
Het grootste gedeelte, zo geven wij met Klosterman de inhoud van ons verhaal weer, raakte eerst alleen in een nutteloze verwondering, en in plaats van zich over de mening omtrent Jezus, die een gevolg was van hun bekendheid met Zijn bijzondere omstandigheden, te laten heenzetten door de zedelijke indruk van Zijn grote daden, hielden zij die vooroordelen eigenzinnig vast. Tegenover Zijn aanspraken op erkenning van Zijne goddelijke roeping kwam het slechts daartoe, dat zij zich aan Hem ergerden als aan een vermetele, die Zichzelf meer toe schreef, dan Hij dat kon volgens Zijn afkomst en uiterlijke omstandigheden. Hij had verwacht, men zou Zijn hulp begeren, en Hij had Zich voorgenomen om door wonderbare werken Zich onder hen te openbaren; zij echter hielden niets van Hem en wilden daarom ook niets van Hem hebben. Zo beroofden zij zichzelf van de weldadige ondervinding van Zijn wondermacht, die ook voor al hun ongelukkigen tot hulp gereed was, en waardoor zij in hun verachten van Zijn roeping aan het wankelen hadden kunnen worden gebracht.
Waar geen geloof is, wordt de heerlijkheid van God niet gezien. Deze wet van het koninkrijk der hemelen is onverbrekelijk, en wij zien haar nog heden werken. De ongelovigen onder ons zien niets van de heerlijkheid van God in Zijn schepping, en niets van de heerlijkheid van God in Zijn woord. Zij zien niets dan de duisternis van hun eigen onwetendheid.
Men moet deze woorden niet in zo'n strenge zin opnemen, alsof de macht van Christus daar verzwakt was; maar alleen dat Hij, omdat zij maar weinige zieken tot Hem brachten om genezing daarvan te verlangen, het niet oorbaar achtte hun Zijn wonderwerken op te dringen, en dus op geen voegzame wijze wonderen kon doen. Op gelijke wijze wordt in sommige gevallen, hoewel niet in alles, het geloof als een voorwaarde van genezing gesteld. Vergelijk hoofdstuk . 9:28 Markus 9:23 Handelingen 14:9 ; en Christus vond goed hier zo te handelen; zoals Hij met reden mocht, overwegende wat zij buiten twijfel van Hem gehoord hadden uit andere plaatsen, en wat zij even te voren van Hem beleden hadden, aangaande de machtige werken, die door Hem gedaan waren; hetgeen inderdaad toont dat hun ongeloof niet zozeer bestond in een twijfel over Zijn macht als wel aangaande Zijn goddelijke zending, die deze macht aan een onbevooroordeeld gemoed zo duidelijk betoonde.
Hij heeft daar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.
In dit eenvoudig woord zien wij het geheim van het eeuwig verderf van een ontelbare menigte zielen! Zij gaan voor eeuwig verloren, omdat zij niet willen geloven. Niets anders is er in hemel of op aarde, dat de zaligheid van de zielen in de weg staat en verhindert, dan het ongeloof. Hun zonden, hoe menigvuldig ook, kunnen allen vergeven worden. De liefde van de Vader is altijd daar om iedere zondaar te ontvangen. Het bloed van Christus is daar, om hen volkomen te reinigen. De almachtige kracht van de Heilige Geest is daar om hen te vernieuwen. Maar er is een ontzettende hinderpaal, - zij willen niet geloven. "Gij wilt tot Mij niet komen, " zegt Jezus, "opdat gij het leven moogt hebben. " (Johannes 5:40). Mochten wij allen op onze hoede zijn tegen deze vervloekte zonde! Zij is de oude wortelzonde, die de val van de mens heeft veroorzaakt. In het ware kind van God door de kracht van de Heilige Geest afgesneden, is zij immer weer gereed om opnieuw uit te lopen en welige spruiten te schieten. Er zijn drie grote vijanden, waartegen ieder kind van God dagelijks biddend moet strijden - hoogmoed, wereldsgezindheid en ongeloof. En de grootste en dodelijkste van deze is het ongeloof.