Mattheus 13:53-58
Wij hebben hier Christus in Zijn eigen land. Hij is het land doorgegaan, goed doende, maar Hij heeft gene enkele plaats verlaten, voor Hij er op dien tijd Zijn getuigenis voleindigd had. Zijne landgenoten hadden Hem reeds eenmaal verworpen, toch is Hij tot hen wedergekeerd. Christus houdt de weigeraars niet aan hun eerste woord, maar herhaalt Zijne aanbiedingen aan hen, die ze reeds dikwijls afgewezen hebben. Evenals in andere dingen, is Christus ook hierin Zijnen broederen gelijk, dat Hij ene natuurlijke genegenheid had voor Zijn vaderland.
Iedereen heeft zijn vaderland lief, niet omdat het schoon is, maar omdat het zijn vaderland is. De behandeling, die Hij thans ondervond, was tamelijk gelijk aan de vroegere, minachtend en boosaardig. Merk op:
I. Hoe zij hun minachting van Hem uitdrukten. Toen Hij hun leerde in hun synagoge, ontzetten zij zich, niet wijl zij ingenomen waren met Zijne prediking, of voor Zijne leer op zich zelf bewondering hadden, zij waren er slechts verbaasd over, dat het Zijne leer was, daar zij Hem beschouwden als volstrekt niet in staat om zulk een Leraar te zijn. Er waren twee dingen, die zij Hem verweten.
1. Zijn gebrek aan academische opleiding. Zij erkenden, dat Hij wijsheid had, en grote werken deed, maar nu was de vraag: Hoe kwam Hij er aan? Want zij wisten, dat Hij niet opgeleid was aan de voeten van hun rabbijn. Hij had nooit de universiteit bezocht, Hij had geen graad gehaald, Hij was niet gepromoveerd. Hij werd door de mensen niet "Rabbi, Rabbi" genoemd. Enghartige, bevooroordeelde lieden zijn altijd geneigd om de mensen te beoordelen naar de opleiding, die zij ontvangen hebben, meer te vragen naar hun afkomst dan naar de redenen, die Zij aanvoeren. Vanwaar komt dezen die krachten? Is hij er op eerlijke manier aangekomen? Heeft hij niet wellicht de Zwarte Kunst bestudeerd? Aldus keerden zij tegen Hem hetgeen in werkelijkheid voor Hem was, want zo zij niet willens blind waren geweest, dan hadden zij tot de gevolgtrekking moeten komen, dat Hij door God gezonden en geholpen werd, die zonder de hulp van ene academische opleiding zulke blijken gaf van buitengewone wijsheid en macht.
2. De geringheid en armoede Zijner bloedverwanten, vers 55, 56. Zij smaden Hem om Zijn vader. Is deze niet de zoon des timmermans? Ja, Hij werd geacht dit te zijn, maar welk kwaad is hierin gelegen? Het is gene schande voor Hem de zoon van een eerlijk ambachtsman te zijn. Zij herinneren zich niet (hoewel zij het hadden kunnen weten) dat deze timmerman uit den huize David's was, Lukas 1:27, een zone David's was. Hoofdstuk 1:20. Hoewel Hij een timmerman is, is hij toch een man van eer. Zij, die vitten en bedillen, zullen hetgeen waardig en verdienstelijk is voorbijzien, om te blijven staren op hetgeen laag en gering schijnt te zijn. Mensen van een bekrompen geest hebben geen oog voor een rijsje, ja zelfs niet voor het Rijsje uit den tronk van Isaï indien dit rijsje niet de bovenste tak van den boom is. Zij verwijten Hem Zijne moeder. En wat hebben zij nu op haar aan te merken? Wel, Zijne moeder is genaamd Maria, en dat was een gans gewone naam, en allen kenden zij haar, kenden haar als ene gans gewone vrouw. Zij wordt eenvoudig Maria genoemd, zonder enigerlei titel of benaming der ere, en dit rekenen zij nu Hem aan als een smaad en schande, alsof de mensen alleen maar gewaardeerd konden worden naar vreemde afkomst, adellijke geboorte, of wijdse eretitels, armzalige dingen voorwaar, om er iemands waarde naar te schatten. Zij verwijten Hem Zijne broeders, wier namen zij kenden, Jakobus en Joses, en Simon, en Judas, goede mensen, maar arm, en dies geminacht, en om hunnentwil ook Christus. Deze broeders waren waarschijnlijk de kinderen van Jozef bij ene eerste vrouw, maar in welke betrekking zij ook tot Hem stonden, zij schenen met Hem in hetzelfde gezin te zijn opgegroeid. Van de roeping van drie hunner, die tot de twaalven behoorden, Jakobus, Simon, en Judas, of Taddeüs, lezen wij niet in het bijzonder, omdat zij zulk ene uitdrukkelijke nodiging of roeping tot bekendheid met Christus niet nodig hadden, daar zij de metgezellen Zijner jeugd zijn geweest. Ook Zijne zusters zijn allen bij ons. Zij hadden Hem dus te meer moeten liefhebben en eren, wijl Hij een hunner was, maar voor hen was dit ene reden om Hem te minachten. Zij waren aan Hem geërgerd. Zij struikelden over deze stenen des aanstoots, want Hij was gezet tot een teken, dat wedersproken zal worden, Lukas 2:34, Jesaja 8:14.
II. Hoe Hij die minachting opnam, vers 57, 58
1. Het heeft Zijn hart niet ontroerd. Hij schijnt er zich niet veel om bekommerd te hebben, Hij heeft de schande veracht Hebreeën 12:2. In stede van den smaad te verzwaren, of er zich beledigd door te tonen, of er een antwoord op te geven, zoals hun dwaze woorden het verdienden, schrijft Hij het met zachtmoedigheid toe aan de algemene neiging der mensen, om het voortreffelijke, dat zij gemakkelijk en zonder grote onkosten kunnen verkrijgen, te onderschatten, hetgeen in het eigen land is achter te stellen bij hetgeen uit den vreemde komt. Zo gaat het gewoonlijk. Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland. Profeten behoren geëerd te worden, en zijn dit ook: mannen Gods zijn grote mannen, mannen van eer, die achting afdwingen. Het is inderdaad vreemd, als profeten niet geëerd worden. Evenwel, gewoonlijk zijn zij het minst geëerd en geacht in hun vaderland, ja soms zijn zij er het meest gehaat. Gemeenzaamheid baart wel eens verachting.
2. Het heeft Hem voor het ogenblik-het zij met eerbied gezegd-de handen gebonden.
Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof. Ongeloof is de grote hinderpaal voor Christus' gunsten en weldaden.
Bij God zijn, over `t algemeen, alle dingen mogelijk, Hoofdstuk 19:26, maar dan is het, voor de bijzonderheden, degenen, die gelooft, Markus 9:23. Het Evangelie is de kracht Gods tot zaligheid, maar het is dit een iegelijk die gelooft, Romeinen 1:16. Zodat, indien er in ons gene krachten gedaan worden, het niet is vanwege gebrek aan macht of genade in Christus, maar vanwege gebrek aan geloof in ons. Uit genade zijt gij zalig geworden, en dat is ene kracht, maar het is door het geloof. Efeze 2:8.