35. En meteen toen de Heere dit woord sprak werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los en hij sprak juist, volkomen en duidelijk.
In de heilige doop brengen de ouders, evenals hier de mensen de doofstomme, het (van nature in geestelijk opzicht eveneens doofstomme, 1 Corinthiërs 2:14. Johannes 3:6) kindje tot Jezus. Evenals de doofstomme de Heere nog niet kende, zo kent ook het kindje Hem bij de doop niet. Evenals de Heere het geloof in dezen door Zijn genadige nabijheid en Zijn voorbereidend werken teweegbracht, zo ook bij het kindje. (G. LANG).
Zijn het al blije uren, wordt het leven pas een leven, wanneer ik met mensen kan omgaan en spreken, wat voor een vreugde, wanneer ik met mijn God en Heiland kan spreken en omgaan! Dan wordt het leven pas inderdaad leven. Maar juist hier is de hoofdziekte van ons geslacht. Het grootste gedeelte van de tegenwoordige Christenen is in deze geloofstaal doofstom, geen woord van Gods grote daden ter zaligheid en van Zijn lof, geen woord van inwendige ervaring gaat over hun lippen. Met hun vrienden spreken zij van wind en weer, van oorlog en vrede, van courantenberichten en praatjes, van hun beroep en werk; maar van de grote tijding, van de boodschap, die hemel en aarde bewogen heeft, van hun roeping tot het kindschap van God en tot het eeuwige leven, zegt men geen woord. Zij gaan in hun huis, zij spreken met vrouw en kinderen over brood, kleren en dergelijke dingen, maar een woord over het brood des levens en van het kleed der gerechtigheid wordt niet gesproken, de lippen willen daartoe niet van elkaar.
Jezus neemt deze doofstomme ter zijde: al het andere moet uit zijn ogen verdwijnen; hij moet zo veel mogelijk tot nadenken komen. Jezus alleen moet hem voor ogen en in het hart zijn, op Hem alleen moeten al zijn zinnen en gedachten zich concentreren. Wat voor een beweging moest in de ziel van deze ongelukkige plaats hebben toen hij de Heere in Zijn lichtgevende ogen zag, toen hij niets zag dan deze Jezus alleen! Hij had niets van Hem gehoord, ten hoogste was hij door tekenen en gebaren op Zijn persoon en Zijn werk opmerkzaam gemaakt. Misschien had hij met zijn eigen ogen, als hij er bij gebracht werd, gezien, hoe Jezus anderen hielp; mar al had hij ook niets gezien, nu de Heere Zijn oog op dat van hem vestigde, toen het oog van de Heiland als de lieve zon op hem rustte, moest het in hem licht en warm worden en een voorgevoel vol verwachting moest zijn ziel vervullen.
Over de uitwendige lotgevallen van de wereld wordt openlijk voor de ogen van de wereld gehandeld, op slagvelden, in volksvergaderingen, op bijeenkomsten van de vorsten, maar de dingen van de ziel worden niet op de markt uitgemaakt. Waar het te doen is om opwekking, verlichting, bekering en zaligmaking van het hart van de mensen, neemt de Heere ons graag afzonderlijk en leidt Hij ons in de stilte, opdat Zijn Geest hoorbaarder met ons zou kunnen spreken, Zijn werk ongestoorder in ons zou kunnen plaats hebben. Zo heeft de Heere al Zijn grote werktuigen in de stilte toebereid en van het volk afgezonderd, om ze geschikt te maken voor hun bestemming. Zo nam Hij Abraham afzonderlijk, toen Hij hem beval uit zijn vaderland te gaan en van zijn maagschap, opdat hij alleen onder Gods leiding de vader van de gelovigen zou worden. Zo heeft Hij Mozes afgezonderd veertig jaren lang in de woestijn van Midian, om hem daar te vormen tot een leidsman van zijn volk. Zo werd David onder de moeilijke omstandigheden van zijn jeugd, toen hij als een gejaagd wild in het eenzame gebergte doolde, gevormd tot een herder van zijn volk. Elia leerde als kluizenaar aan de beek Krith de levende God, die hij aan het afvallige Israël moest prediken echt kennen. De apostel Paulus moest zijn drie dagen van boete te Damascus blind en eenzaam doorbrengen in het stille kamertje, hij at niet, dronk niet, zag niet, opdat het werk van zijn bekering tot stand zou worden gebracht. In de stilte van zijn kloostercel leerde Luther de Evangelische weg naar het leven kennen en vernam hij het Effatha van de goddelijke waarheid, dat de banden van dwalingen, waarin hij was opgevoed, verbrak. En nu, toen de Heere uit de drukte van uw dagwerk, waar u nooit tot uzelf komt, u op een wekenlang ziekbed neerlegde, waar u weer tijd had over uzelf na te denken, of toen Hij door enig ongeval in de kring van uw familie u aan uw gewone verstrooiingen een poos onttrok en in de stilte bracht, of toen Hij door tegenspoed u het gezelschap van de mensen ontnam, zodat u zich uit de wereld meer terugtrok, hoe heet dat dan anders als: hij nam u uit de menigte alleen? En wat wilde Hij daarmee anders dan u tijd en gelegenheid geven tot uzelf te komen uit de verstrooiing van de wereld en uw God en Heer weer ernstiger te zoeken? Hebt u dan deze genadige leiding van Hem ook verstaan en u ten nutte gemaakt? Hebt u in de eenzaamheid van uw ziekenkamer ook nagedacht over uzelf, over uw vergankelijkheid, over uw toekomst? Hebt u in de stilte van het huis van de rouwe uzelf ook aan uw eigen graf geplaatst; hebt u, waar de wereld u verliet, uw God gezocht? O zie, dan zouden juist zulke bezoekingen van de Heere tijden van zegen voor u kunnen worden, gelukkige keerpunten in uw inwendig leven! Of hebt u de genadige bedoeling van uw God niet verstaan? hebt u slechts over verveling geklaagd en voedsel verlangd voor uw gewone leven, zoals de kinderen van Israël naar de vleespotten van Egypte? Bent u de woorden van de Heere in uw hart ontweken en hebt u gezocht uzelf te bedwelmen en te verstrooien door ijdele dingen en nietswaardig tijdverdrijf? Lagen er slechts romans op uw bed in plaats van Gods woord en hebt u naar dartele kameraden gezonden in plaats van naar de geestelijke? Zie, dan hebt u zichzelf van de zegen beroofd die de Heere u had toegedacht.
Wij moeten drie stukken in de genezing van de Heere onderscheiden: ten eerste de aanraking van de ogen en de tong, vervolgens het zuchten van Jezus en ten slotte het effatha. Jezus begint met Zijn vingers in de beide oren van de zieke te doen, vervolgens Zijn vingers met speeksel nat te maken en de tong van de zieke daarmee aan te raken. Hij kan niet met de doofstomme spreken, omdat Hij iets heeft te zeggen voordat Hij hem geneest. Omdat Hij nu geen woorden kan gebruiken spreekt Hij door tekenen die ons raadselachtig voorkomen, maar voor de doofstomme verstaanbaar waren. Jezus raakt de zieke delen, oren en tong aan. De doofstomme bemerkt daaruit dat daarmee iets moet gebeuren. Zag hij daarenboven Jezus' medelijdend aangezicht aan, zo was het voor hem niet twijfelachtig, dat de aangeraakte delen, tong en oren, door Jezus genezen zouden worden. Wat dus Jezus door deze tekenen in hem opwekt is het verlangen om genezen te worden, in het geloof dat Jezus hem wil genezen. Na deze voorbereiding kan de Heere Zijn eigenlijk werk beginnen. De mens is wel nog niets, maar hij is toch zo veel dat hij iets kan worden en zo ziet Jezus op naar de hemel en zucht. Op aarde is één gedeelte van het werk geschied. Zal het niet bij de geringe aanvang blijven en weer teruggaan, dan moet het tweede gedeelte van het werk, waarvan alles afhangt, in de hemel geschieden. Heeft Jezus het geloof van de doofstomme met zijn vingers opgewekt, zo voert Hij het geloof door Zijn blik tot de troon van de goddelijke ontferming; daar moet hij zoeken wat hem ontbreekt, daar moet hij zijn om vrij te worden van alle nood. De zielen, die de Heere met Zijn vinger opwekt, voert Hij met Zich uit de wereld in Zijn hemels heiligdom en Hij leidt ze met Zijn ogen tot de schatten die voor deze verkrijgbaar zijn; want toen Jezus naar de hemel opzag, zuchtte Hij tevens, met die blik stijgt de zucht tot God op en beide dragen de doofstomme die zij voor de troon van God plaatsen. Dat is het medelijden van Jezus, dat met voorbede voor ons voor God verschijnt. Wel worden hier op aarde de zondaars bekeerd en van de dood tot het leven gebracht, maar alleen in de hemel tussen Vader en Zoon wordt uitgemaakt wat op aarde geschiedt en geen ziel zou komen tot het leven wanneer niet de Zoon met Zijn lijden en met Zijn voorbede het leven van God verwierf. Het Effatha had de Heere hier niet kunnen spreken wanneer Hij de ongelukkige niet door Zijn zuchten voor God had gesteld. Het is wel waar dat geschiedt wat Hij zegt en door Zijn woord kan Hij alle dingen aan Zich onderwerpen; maar het is iets anders water in wijn te veranderen en een zondaar te helpen. Het eerste vermag Hij alleen door Zijn woord, zondaars zijn daarentegen geen hulp en genade waard. Zal Hij hen helpen, dan moet Hij dat door Zijn lijden doen; Hij moet hen eerst met God verzoenen, vervolgens kan Hij in Zijn woord de genadekrachten van God leggen en dat met de verdienste van Zijn lijden vervullen. Dan is het zo krachtig dat Hij ook de zondaren allerlei hulp kan verlenen.
De Heere leidt de zieke uit het geraas van het volks; hij moet weten dat het nu om hem alleen te doen is. Dan legt Hij hem de vingers in de oren; hij moet weten dat het om zijn gehoor te doen is. Vervolgens spuwt Hij, niet alsof Hij door speeksel wilde genezen; Hij wil de ongelukkige met zijn gedachten op de plaats brengen waar het werk van de genade moet worden volbracht. Dan ziet Hij op naar de hemel; Hij wil de ziel van de arme man mee opvoeren, Hij leidt ze als het ware bij de hand, zij moet ook één, al is het ook nog zo nietig gebed mee voor de troon van de genade brengen, Hij zucht, het gaat Hem door de ziel dat de zonde het evenbeeld van God zozeer verwoest heeft en dan volgt het Effatha, d. i. open u - hemel der genade daarboven, gesloten oor en gebonden tong hier beneden.
Het is de Heere bij Zijn zuchten niet alleen te doen geweest om de tong en de oren van deze ongelukkige, maar het is een algemeen zuchten geweest over alle tongen en oren, ja over alle harten, lichamen en zielen en over alle mensen van Adam af tot op de laatste, zodat Hij in de hele klomp van vlees en bloed heeft gezien hoe de duivel die in het paradijs heeft gebracht in dodelijke ellende, de mensen stom en doof gemaakt heeft en zo tot de dood en het helse vuur heeft gebracht. Daarbij heeft Hij, de liefdevolle Heiland, ook wel gezien welke schade en ongeluk nog door tongen en oren zou worden teweeg gebracht. Dat toch is niet de grootste schade, wanneer de Christenen door de tirannen worden vervolgd en gedood, wanneer de vuist tegenover het woord wordt gesteld, maar het stukje vlees, dat tussen de tanden bleef steken, doet het meeste nadeel aan het rijk van Christus. Ik bedoel dit, dat nadat Christus de tong heeft losgemaakt en het Evangelie aan haar heeft gegeven, zij daarna zulk een aanmerkelijke schade veroorzaakt. Het ziet er wel erger uit wanneer men iemand het hoofd afslaat, maar een valse prediking, ja een vals woord, dat op leugenachtige wijze in Gods naam komt, houwt een menigte zielen af.
Jezus zag in de doofstomme een beeld van het volk, dat tot het horen van het geloof en tot het spreken van de belijdenis (Romeinen 10) onbekwaam was.
Het leggen van de vingers in de oren heeft nog niet aangegeven hoe de genezing plaats zal hebben. Door het spuwen en aanraken van de tong wordt de ongelukkige ook aangewezen, dat van de mond van de Heere Jezus datgene zal uitgaan wat gehoor en spraak herstelt, dat de Heere de zegen in eigen persoon is en uit Zichzelf door het woord van Zijn mond de zegen mededeelt. In de goddelijke macht, die roept wat niet is alsof het was. (Romeinen 4:17) wendt Hij Zich vervolgens tot de niet horende als tot een horende. Effatha, e. i. Open u 1) gij oog en zie uw Heiland; 2) gij oor en hoor Zijn woord; 3) gij mond en roem Zijn eer, 4) gij hart en word Zijn woning.
Evenals in het sacrament van de Heere het water alleen geen genadevol levenswater is, maar dat eerst wordt door het daarmee verbonden woord; evenals het brood en de wijn bij het avondmaal zonder het woord van de Heere slechts brood en wijn zijn en geen zielen genezende krachten van het leven bezitten, zo is het ook met ons wonder. Pas door het Effatha wordt de aanraking met de vinger en het speeksel van Jezus tot een krachtig hulpmiddel voor de doofstomme. Nu toont de Heere ons hoe Zijn wijsheid onder de kinderen van de mensen graag in verbergende omhulsels werkt, hoe Hij Zich zo graag met Zijn genade met allerlei middenoorzaken omkleedt. Zo doet Hij in de natuur, zo doet Hij in het rijk van de genade. Hij bestrooit niet onmiddellijk de aarde met koren en druiven; Hij schudt niet onmiddellijk uit Zijn hemelse voorraadkamers de appelen, maar Hij onderhoudt met Zijn geduld het veld, de wijnberg, de boomgaard en reikt ons door velerlei armen en handen Zijn zoete gaven. Alle gaven schenkt Hij indirect en geen van Zijn gaven is voor de ziel tot een zegen zonder Zijn heilig woord. De zon in haar heerlijkheid, de maan in haar aantrekkelijkheid, de sterren in haar wondervolle menigte, alle engelen in hun hemelsen glans - zonder het woord van de Heere zijn zij slechts vertoningen; maar deze creaturen, deze verstandeloze wezens verkrijgen een spraak, zij worden zegeningen voor ons, zij worden ons tot een paradijs van het geloof en de engelen, die de heiligen verschijnen, worden tot boden van God, wanneer door hen en met hen het woord van de Heere tot ons komt. Niets is heilzaam zonder Gods zegenend woord; alles wat niet behoort tot het rijk van de hel, van de verlorenheid, wordt een zegen wanneer het woord daarmee verbonden is. De appelboom lacht u tegen zonder uitwerking, wanneer hij zonder woord is, maar schrijf boven zijn bloesems "Gods beloften bedriegen niet, wat Hij toezegt, volbrengt Hij zeker, " dan is de stomme sprekende geworden, of liever uw gesloten oor is ontvangbaar geworden voor de stem van het schepsel. Het woord is de levende ziel van alle dingen; alles is ledig en woest, evenals een nest dat weggenomen is om te verbranden, wanneer het woord niet meer daarover zweeft.
In de woorden: "meteen werden zijn oren geopend. " wordt te kennen gegeven dat de doofheid hier haar grond niet heeft in een uitwendig zichtbaar gebrek aan het oor, maar aan een gebrek in het inwendige van het oor, in de gehoorgangen; het tweede wonder: "de band van zijn tong werd los, " wijst daarop terug, dat de tong daarvoor niet in staat was haar gewone dienst te verrichten. In het derde punt: "hij sprak juist, " is het toppunt van het wonder. Het heeft een dubbele bedoeling - hij sprak juist, omdat hij niet duidelijk, gebroken, dof en moeilijk sprak en hij sprak juist, omdat hij hetgeen hij wilde uitdrukken ook met de juiste woorden en in juist gevormde zinnen uitsprak. Hieruit blijkt dat de arme mens niet van zijn geboorte af doofstom was, maar later door een ongeluk in die betreurenswaardige toestand was gekomen, dat hij dus vroeger kon spreken en een zekere graad van ontwikkeling had verkregen. De namen van de dingen, de wendingen van de taal, de vorming van zinnen behoefde hij niet meer te leren. Evenals het een matroos vergaat die jarenlang het vaste land niet heeft betreden en nu in zijn gang op bijzondere wijze heen en weer wandelt, of zoals die zieke die maandenlang heeft gelegen, al keren ook de krachten weer, toch niet dadelijk goed loopt, omdat hij het heeft verleerd, zo zou het ook deze mens hebben kunnen vergaan, die jarenlang stom moest zijn; zijn spreken had in het begin meer een onzeker aanslaan van tonen, een radbraken en geen spreken kunnen zijn. Dat was echter zo niet; de wonderbaar genezene sprak vloeiend en wanneer de Evangelist ook niet bepaald zegt, wat hij sprak. Zo bedriegen wij ons niet wanneer wij zeggen dat het volk in Vers 37 slechts op dezelfden toon voortgaat, die de doofstomme had aangeslagen; door deze lofspraak klinkt zijne stem als de toongevende, toonhoudende, krachtig door.
De Heere heeft alles wel gedaan! Ja wel gedaan gedurende Zijn hele leven. Zijn moederlijk dragen bracht mij in de wereld, voerde mij uit de begeerlijkheden van deze wereld, droeg mij door de woestijnen van de verzoeking, leidde mij in het schone Kanaän, waar ik temidden van velden, die overvloeien van melk en honing, de waren Jozua kan zien, die grote dingen met mij heeft gedaan.